Categorie archief: 2018

Me, Myself and I (a.k.a. Michel Sensei)

Begin juni was ik met Helen in Zuid-Frankrijk voor een week vakantie. Tijdens die vakantie had ik nogal last van mijn rug (spier flink verrekt) en las ik “Pure and Simple” van Upasika Kee Nanayon (1901-1978). Het weer in Frankrijk was ook niet wat we daar gewend zijn. Het was bewolkt en zo nu en dan nogal fris. En de spieren in mijn rug waren strak en pijnlijk met een scherpe plek tussen mijn schouderbladen. Mijn stemming was dus een beetje mopperig. Beetje balen van dat weer en flink balen van de pijn. Maar gelukkig was daar Kee Nanayon om korte metten te maken met het gezeur. Kee Nanayon was een Thaise upasika, een vrouwelijke lekenvolgeling van het pad. Hoewel ze formeel geen non en geen leraar was (in de Thaise traditie zijn er al in eeuwen geen vrouwelijke monnikswijdingen meer) wordt Kee Nanayon in Thailand en daarbuiten, veertig jaar na haar dood, nog steeds zeer vereerd en gerespecteerd als leraar. Haar lessen zijn hyper-direct, praktisch, no-nonsense, eenvoudig zonder vereenvoudigingen. Ze windt er geen doekjes om. Ze wees me er in klare taal op dat ogen, oren, neus, mond en huid, kortom de fysieke zintuigen, enkel poorten zijn, deuren waardoor ervaringen binnen kunnen komen in bewustzijn. En hetzelfde geldt voor gevoelens en gedachten. Ook die kan ik zien als ervaringen die door een soort van “mind’s eye” binnentreden in bewustzijn. Als ze gestopt worden bij de poort, kunnen ze erkend en aanvaard worden, zonder dat ze uitgesplitst worden in “onprettig”, “prettig” of “neutraal” en dus ook zonder dat ze uitgebouwd worden, en zonder dat ze geweigerd, dan wel vastgehouden, dan wel genegeerd hoeven te worden. Als ze gestopt en losgelaten worden, vervagen ze snel en worden ze vervangen door nieuwe ervaringen. Ze blijken vergankelijk en zonder eigen losstaande substantie, zonder Zelf. Het herinnerde me aan een uitspraak van meester Matzu. Als de voorafgaande gedachte, de huidige gedachte en de volgende gedachte niet langer aan elkaar gebonden zijn, dan wordt tussen de gedachten de achterliggende ruimte zichtbaar. De stapelingen van ervaringen, de skanda’s, hebben dan niet langer een kern omdat het de IK-maker niet meer wordt toegestaan om alle ruimte in te nemen en alles te claimen. De pijn bleef en het weer werd maar niet beter. Pijn is pijn. Het lichaam, bestaande uit bloed en botten, pezen en spieren en (een beetje teveel) vet, voelt de warmte van de zon als die schijnt, en de natheid van regen als die valt. Het is zoals het is. Warm is warm en koud is koud. Maar als IkZelf zich er tussen wringt en alle ervaringen claimt als MIJN ervaringen, dat wordt de kou, MIJN kou en de pijn MIJN pijn. En IkZelf ben degene die solide op zichzelf staat en overal iets van vind. Dit wil IK wel, Dat wil IK niet. Het geeft heel veel soliditeit en macht aan Ik en alles wat Ik ervaar. Het creëert een grote afstand tussen IK en MIJN leven. Dan kan ik mijn leven verwensen, er aan lijden, er bang van zijn. Tijdens de avondschemering keek ik vanaf het terras uit over zee, en dacht: Noemt de zee zichzelf Middellandse Zee? Noemt een boom zichzelf Cypres of Eik? Ze zijn heel precies en duidelijk en uniek zichzelf, en tegelijkertijd splitsen ze zich niet af van eenheid. Als er geen IK wordt gemaakt, dan houdt de strijd op. Er is een prachtige koan over Meester Tokusan. Het speelt zich heel kort voor zijn dood af. Tokusan is stervende. Een monnik vraagt hem: “Meester, u bent erg ziek. Is er ook één die nooit ziek is?” Tokusan antwoordt: “Ja, die is er ook.” De monnik vraagt: “Kunt u me vertellen van degene die nooit ziek is?” Tokusan kreunt: “Oh! Auw!”

In the beginning of June Helen and I were in the South of France for a week’s vacation. While there, I was having a severe pain in my back (a torn muscle) and I was reading “Pure and Simple” by Upasika Kee Nanayon (1901-1978). Also, the weather in France was not what we are used to there. It was overcast and rather cold from time to time. And the muscles in my back were tight and painful with a sharp spot between the shoulder blades. My mood was a bit grumpy. Grumpy about the weather, and actually down right pissed of with the back ache. But thankfully, there was Kee Nanayon to make short work with the whining. Kee Nanayon was an Upasika from Thailand, a female lay follower of the path. Although formally she was not a nun nor a teacher, (there hasn’t been womens ordination for centuries in Thailand) even now, forty years after her death, she is deeply revered as a teacher in and indeed outside of Thailand. Her teachings are hyper-direct, practical, no-nonsense, simple without simplifications. She pulls no punches. She pointed out to me clearly, that eyes, ears, nose, mouth and skin, the physical sense organs, are just gates, doorways through which experiences enter into awareness. And the same is true for feelings an thoughts. These too I can perceive as experiences arising in awareness through the gate of the mind’s eye. If they are stopped at the gate, they can be recognised and accepted without being split up into “unpleasant”, “pleasant” or “indifferent”. And therefor also without any need for rejection, clinging or ignoring. When they are just stopped and not clung to, they soon dissipate and are replaced by new experiences. They turn out to be transient, impermanent and without and separate substance, without Self. It reminded me of a saying by Master Mazu. When the previous thought, the present thought and the next thought are no longer connected, then between these thoughts the space behind them becomes vissible. The heaps of experiences, the skanda’s, then no longer have a solid core, because the I-maker is not indulged any more in taking all the space and claiming everything. Meanwhile, the pain and the weather weren’t getting any better. Pain is pain. The body, consisting of blood, bones, muscles and (a little too much) fat, feels the warmth of the sun when it shines and the wetness of the rain, when it falls. It is what it is. Warm is warm and cold is cold. But when the MeSelf inserts itself and starts claiming all experiences as MY experiences, then the cold becomes MY cold and the pain MY pain. And MeSelf is the one that stands solidly alone and has an opinion about everything. This I want. That I don’t want. It gives a lot of power and solidity to ME and to MY experiences. It creates a big distance between ME and MY life. Then I can curse my life, suffer from it, be afraid of it. While the sun was setting I looked at the sea from the terrace and thought: Does the sea call itself The Meditaranean? Does a tree call itself Cypress or Oak? They are very precisely and uniquely themselves and at the same time do not separate themselves from the oneness. When there is no I-making the battle stops. There is a wonderfull koan about Master Tokusan. Tokusan is old and dying, and a monk asks him: “Master, you are very ill. Is there also one who is never ill?” Tokusan replies: “Yes, there is.” The monk asks: “What about the one who is never ill?” Tokusan replies: “Oh! Auw!”

Hoe wil ik leven / How do I want to live?

Twee mensen zijn zich aan het voorbereiden zijn op het ontvangen van Jukai (komende Augustus in Holten), en dus ben ik mezelf daar ook op aan het voorbereiden. Onlangs las ik Chögyam Trungpa Rinpoche’s boekje “The Path is the Goal” weer. Daarin schrijft hij over werken met de zes Paramita’s, de zes perfecties of liever cultiveringen, die diep verbonden zijn met de zestien geloften van Jukai.
Het gaat in de kern over de vraag: Hoe wil ik leven? Hoe wil ik vrede vinden in mezelf en hoe kan ik in vrede leven met de wereld om me heen? Werken met de zestien geloften is daarin van zo grote waarde dat Eihei Dogen schrijft dat de geloften de belangrijkste zaak zijn van onze traditie, “The single most important matter of our school”.
Maar wanneer we de geloften gaan hanteren als strikte geboden en verboden, gaat er iets mis. Als we dát doen is de kans groot dat we eigenlijk alleen maar dieper verstrikt raken in innerlijke en externe oordelen en veroordelingen. En dat leidt weer tot innerlijke en externe conflicten en een groeiende kloof tussen onszelf en de wereld, en tussen onszelf en onszelf.
Ik vraag me regelmatig af waarom ons zicht op moraliteit (de Paramita van Sila) vaak zo extreem zwart / wit is. Het is goed of fout, juist of onjuist. We hebben uitgesproken meningen (waarvan we overtuigd zijn) en soms krijg ik het gevoel dat het in moraliteit vooral gaat om onze overtuigingen luidkeels tot uiting te brengen en daar zo hardnekkig mogelijk aan vast te houden. Wellicht is dat zo omdat we anders bang zijn verward te raken. Of erger: bang om het VERKEERD te zien, om FOUTEN te maken. De vraag is natuurlijk of de wereld beter af is, en wijzelf beter af zouden zijn, als alles onversneden helder en gestoken scherp te verdelen valt in goed en niet goed, zonder ruimte voor ambivalentie en twijfel. Hoeveel ruimte houden we dan over? Hoeveel (mede)menselijkheid zou overeind blijven?
Taizan Maezumi Roshi’s gevleugelde uitspraak was: “Practice is about closing the gap between yourself and your self” (wat je op verschillende manieren kan opschrijven; één spatie kan een verschil maken. Of in dit geval juist helemaal géén verschil). Hoeveel ruimte hebben we nodig om de kloof tussen onszelf en ons zelf te overbruggen? Je zou kunnen zeggen dat dat een rare vraag is. Geen afstand tussen mezelf en mij zelf vraagt zo’n nabijheid, dat er geen spleetje ruimte overblijft. Maar wellicht is de kloof die het denkende hoofd bedenkt tussen tussen mezelf en mij zelf het makkelijkst te overbruggen door de grenzeloze ruimtelijkheid van ons hart binnen te gaan, waarin wijzelf en ons zelf naadloos één zijn en tegelijkertijd elkaar ontmoeten. Kan er iets dieper intiem zijn?
Misschien is moraliteit ook wel te vertalen als het kweken en voeden van een cultuur van ontwaken. Het kweken en voeden van een houding, een manier van leven, die ontwaken wil bevorderen in onszelf en rondom ons. Een cultuur die onszelf richt op het bieden van ondersteuning aan iedereen op het pad. Een cultuur die poogt open en aandachtig te zijn, aanwezig en beschikbaar, hier, nu.
Chögyam Trungpa probeerde dat en hij deed meer dan de meesten. Dat betekent niet dat hij geen blinde vlekken had. Hij had zijn trauma’s, maakte fouten en ontwikkelde verslavingen. Hij heeft hier en daar schade aangericht. Maar tegelijkertijd was zijn hele leven één grote en meeslepende poging om deze cultuur van ontwaken te kweken en te voeden, voor het welzijn van alle levende wezens.
Hetzelfde geldt voor Taizan Maezumi Roshi. Ook hij maakte fouten en ook hij had zijn blinde vlekken. Maar tegelijkertijd schijnt door alles een helder licht van compassie en passie voor het bevorderen van die cultuur van ontwaken. Door alles heen straalt de oorspronkelijke intentie. De intentie om goed te doen, om het goede te doen voor anderen.


Two people are preparing to receive Jukai (which will take place in the August sesshin in Holten) and so I am preparing for it as well. Just recently I was rereading Chögyam Trungpa Rinpoche’s book “The Path is the Goal.” He writes about working with the six Paramitas, the six Perfections or rather Cultivations, that are intimately connected with the sixteen precepts of Jukai. At the heart of all this lies a fundamental question: How do I want to live? How do I want to find peace within myself and how can I live in peace with the world around me? Working with the sixteen precepts is of such importance that Eihei Dogen writes that these precepts are “The single most important matter of our school.”
But if we were to use these precepts as strict commandments and restrictions, something is going wrong. If we see them like that, there’s a good chance we will just get more and more caught up in inner and external judgements and condemnations. And those will lead to just more internal and external conflicts and a deepening gap between ourselves and the world around us as well as between ourselves and our self.
Sometimes I wonder why our ideas about morality (the Paramita of Sila) are so often strongly set in black and white. It’s right or it’s wrong, good or bad. We have strong opinions (we often call them convictions) and sometimes I get the feeling that morality seems to be about expressing those opinions with force and to stick to them. Perhaps this is because otherwise we are afraid to get confused. Or worse: To get it WRONG, to make MISTAKES.
Question is; is the world a better place, and would we be better human beings, if everything is always clear and sharply divisible in right and wrong, good and bad, without any space for ambivalence and doubt? How much space would we have then? How much compassion and humaneness would remain?
Taizan Maezumi Roshi is very often quoted saying: “Practice is about closing the gap between yourself and your self” (which you can put in writing in different ways; a space can make a difference, although perhaps in this case it makes no difference at all).
How much space do we need to close the gap between ourselves and our self? One could argue that this is a weird question. Leaving no gap between myself and my self, requires such proximity that there cannot be any space left. But perhaps bridging the abyss that the mind imagines between myself and my self is easiest when we enter the vast spaciousness of our heart, in which self and self are seamlessly one and at the same time meet. Could anything be more intimate?
Perhaps morality can also be interpreted as cultivating a culture of awakening. The cultivation of an attitude, a way of living that essentially wishes to develop and promote awakening within and around ourselves. A culture that involves us in helping everyone on the path. A culture of trying to be open and attentive, present and available, here, now.
Chögyam Trungpa tried and he did more than most. That doesn’t mean he had no blind spots. He had his traumas, made mistakes, developed addictions. He did some damage here and there. But at the same time his entire life was one hugely spirited attempt to create, feed, promote and cultivate this culture of awakening, devoted to the well-being of all beings.
The same is true for Taizan Maezumi Roshi. He too made mistakes. He too had his faults and his blind spots. But through it all, there shines this clear light of compassion and passion to promote the culture of awakening. Through it all there is the radiance of the original intention. The intention to do good. To do good for others.

Lezen met je hart / Reading with your heart

For the English version scroll down.

Tijdens de december sesshin lazen we het gedicht “A Meadow” van Czesław Miłosz (1). En ook de eerste regels van zijn gedicht “Love” (uit het drieluik “Faith, Hope, Love”). Ik laat ze beiden hieronder eerst voor zichzelf spreken.

A Meadow

It was a riverside meadow, lush, from before the hay harvest,
On an immaculate day in the sun of June.
I searched for it, found it, recognized it.
Grasses and flowers grew there, familiar in my childhood.
With half-closed eyelids I absorbed luminescence.
And the scent garnered me, all knowing ceased.
Suddenly I felt I was disappearing and weeping with joy.

Love

Love means to learn to look at yourself
The way one looks at unfamiliar things
Because you are only one of many things.

And someone who can look that way at himself
Will heal his heart of many troubles,
Perhaps without knowing he has done it.
The Bird and Tree say to him, “Friend.”

And then he’ll want to use himself and things
In such a way that each one glows, fulfilled.
And if sometimes he finds he doesn’t understand,
It doesn’t matter. His task is just to serve.

Je kunt een gedicht op verschillende manieren lezen, maar mijn uitnodiging is om dit met je hart te lezen. Om het te léven. Om net als Miłosz één te worden met de weide, de zon. Om het licht te absorberen en alle weten en begrijpen voor even te laten varen.

De Shakyamuni Boeddha zegt in de Bahiya Sutta (2) tegen de zwervende kluizenaar Bahiya:
“Als […] in wat gezien wordt alleen wat gezien wordt is, en in wat gehoord wordt alleen wat gehoord wordt […] dan zal je daar niet ‘bij zijn.’ Als je er niet ‘bij bent,’ dan zal je er niet ‘in zijn.’ Als je er niet ‘in bent’ zal je noch hier noch daar noch ergens tussen in zijn. Enkel dit is het einde van lijden.”

Als we ervaren in het hart; zonder afstand, zonder identificatie, en nergens er tussen in; zonder plek, zonder een standpunt, “the way one looks at unfamiliar things,” dan blijkt het hart onmetelijk en onbepaalbaar te zijn, zonder begin en zonder einde. Hoe groot is dit hart? Mijn hart, jouw hart, de ruimtelijkheid die we binnenin kunnen voelen. Wat kan het omvatten? Al die gedachten, al die gevoelens en nog zo veel meer! Al die verbindingen, bronnen en oorzaken en alles wat voortvloeit! Het is onbegrijpelijk en tegelijkertijd is het thuis.

“I searched for it, found it, recognized it.” Wat zocht hij? Wat vond hij, herontdekte en herkende hij? Er valt iets te zoeken, te vinden, te herontdekken en te herkennen. Hou nooit op met zoeken. Zelfs als je denkt dat je het nooit zult vinden. Zelfs als je gelooft dat je het gevonden hebt. Onderzoek.

(1) Czesław Miłosz was een Poolse dichter die een groot deel van zijn leven in Frankrijk en de VS leefde en die in 1980 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg.
(2) De Bahiya Sutta: About Bahiya (Ud 1.10). Uit: The Udana & The Itivuttaka. Vertaald uit het Pali door John D. Ireland (1997


During the December sesshin we read a poem by Czesław Miłosz (1) called “A Meadow”. And also part of his poem “Love” (from the triptych “Faith, Hope, Love”). First, I will let them speak for themselves:

A Meadow

It was a riverside meadow, lush, from before the hay harvest,
On an immaculate day in the sun of June.
I searched for it, found it, recognized it.
Grasses and flowers grew there, familiar in my childhood.
With half-closed eyelids I absorbed luminescence.
And the scent garnered me, all knowing ceased.
Suddenly I felt I was disappearing and weeping with joy.

Love

Love means to learn to look at yourself
The way one looks at unfamiliar things
Because you are only one of many things.

And someone who can look that way at himself
Will heal his heart of many troubles,
Perhaps without knowing he has done it.
Then Bird and Tree say to him, “Friend.”

And then he’ll want to use himself and things
In such a way that each one glows, fulfilled.
And if sometimes he finds he doesn’t understand,
It doesn’t matter. His task is just to serve.
You can read a poem in different ways but I want to invite you to read these with your heart. To live them. To do as Miłosz did and become one with the meadow, the sun. To absorb the light and to let go for once of knowing and understanding.

In the Bahiya Sutta (2), the Shakyamuni Buddha says to the wandering hermit Bahiya:
“When […] in the seen there is merely what is seen and in the heard merely what is heard […] then you will not be ‘with that.’ When you are not ‘with that,’ then you will not be ‘in that.’ When you are not ‘in that,’ then you will be neither here nor beyond nor in between the two. Just this is the end of suffering.”

When we experience in the heart; without separation, without identification, and not anywhere in between; without a place, without a view point, “the way one looks at unfamiliar things,” then the heart turns out to be without measure and without definition, without beginning, without end. How big is this heart? My heart, your heart, the spaciousness that we can experience within? What can it encompass? All those thoughts, all those feelings, and so much more! All those connections and sources and causes and everything that gushes forth. It is beyond comprehension and at the same time it is home.

“I searched for it, found it, recognized it.” What was he looking for? What did he find, rediscover and recognize? There is something to search for, to find, to recognize. Never stop searching for it. Even if you believe you will never find it. Even if you believe you have found it. Investigate.

(1) Czesław Miłosz was a Polish Poet who spent a large part of his life in France and the US and who received the Nobel prize for literature in 1980.
(2) The Bahiya Sutta: About Bahiya (Ud 1.10). From: The Udana & The Itivuttaka. Translated from Pali by John D. Ireland (1997)