Het Ayurvedisch centrum waar we nu zitten is weer een heel nieuwe wereld. Een soort van kuuroord, maar dan anders dan alles wat je je kunt voorstellen bij dat woord. Het gebouw is nog geen tien jaar oud maar ziet er van buiten vervallen uit. Van binnen eigenlijk ook wel, maar de staat van ogenschijnlijk verval staat los van de deskundigheid en de toewijding van het personeel. Het ziet er primitief uit, maar onder de uiterlijkheden kan ik voelen dat wat ze hier doen geworteld is in een eeuwenoude traditie en een grote professionaliteit. Het voelt ook aan alsof ik op sesshin ben, en dat is niet alleen omdat we hier ’s ochtends mediteren met Roshi en Renata. Het geheel voelt aan als een klooster. In de hele vroege ochtend worden we gewekt door de gebeden en chants in de Hindu tempel op het terrein. Dat gaat een uurtje door en daarna worden we weer gewekt door de man die de ochtend drank en gekookt water komt brengen. Het centrum blijf dan nog een tijdje heel stil en dan komt er gelijdelijk wat leven. Na het ontbijt volgt iedere ochtend een uur massage. De masseur begint zijn werk met een intens (maar onverstaanbaar) gebed. Er zit niets routineus in. Het Hinduisme is diep en oprecht. Ayurveda is niet alleen maar een methodiek hier, het is een manier van leven en diep geworteld in religie en ritueel. De toewijding is totaal en ik voel dat ik me er vol vertrouwen aan over kan geven.
Het landschap is overweldigend. Diep groen wijds en de kleur van de aarde is een rijk donkerrood. Vanmiddag heb ik voor de zonsondergang, die hier scherp en abrupt is, een lange wandeling gemaakt. Een landweggetje tussen oude oude kokospalmenaanplant en hele kleine boerderijtjes. Hoewel het er allemaal heel basaal en zelfs primitief uitziet is me duidelijk dat dit rijke grond is en dat de boeren relatief welvarend zijn. Ik zag een man en een vrouw achter elkaar over een dijkje lopen langs een stuk land met kokospalmen. Het was er donker onder de bomen en koeler. We lachten naar elkaar en knikten, ik op en neer en zij heen en weer. Het voelde aan als eeuwen oud en dat was het ook. Ik voel me hier eeuwen oud en diep verbonden en geworteld en ik begrijp er niets van.
Auteursarchief: Michel Oltheten
Coimbatore
We zijn in Coimbatore neergestreken en het verschil in landschap is verbazingwekkend. Van de woestijn naar de groene heuvels. De vlucht maakte een tussenstop in Mumbai en voor de transit passagiers naar Coimbatore was de stop een goede gelegenheid om een praatje aan te knopen en de benen te strekken. Heen en weer in het vliegtuigmiddenpad en iedere keer als we elkaar passerden een glimlach of een grapje.
Wat ook verbazingwekkend is, is dat dit kan. We vlogen in vier uur (tussenstop meegerekend) van Noord- naar Zuid-India. Een afstand van 2000 km in een paar uur. Ik voel me zo bevoorrecht, ook als ik kijk naar hoe ik over de wereldbol reis, hoe ik leef, en hoe mensen hier op straat leven. En tegelijkertijd kijken we elkaar recht in de ogen van mens tot mens en dan is er geen enkele afstand en geen enkel verschil.
Er is zoveel diepe armoede hier, en ik merk dat er soms iets arrogants zit in de manier waarop ik daar naar kijk. Dan heb ik een verborgen oordeel over deze samenleving. Misschien is de verontwaardiging over wat ik zie als onrecht terecht, maar ik heb ook het gevoel dat die verontwaardiging vaak voortkomt uit onwetendheid en blindheid. Er wordt op straat namelijk ook veel gelachen, liefgehad, gekletst, plezier gemaakt, en gezwaaid naar voorbijlopende toeristen. Dit is hun leven. Dit is leven. Er wordt gebedeld zonder gène en gegeven zonder gène. Er is verschil en er is volkomen gelijkwaardigheid. Alleen zo kunnen we elkaar werkelijk zien in volle wederzijdse waardering en warmte.
In de auto op weg naar de luchthaven van Delhi herinnerde ik me een tekst van Thich Nhat Hanh (een citaat uit een soetra). “Boeddha bestaat volledig uit non-boeddha-elementen”. Michel bestaat volledig uit non-Michel-elementen. Armoede bestaat uit non-armoede-elementen. Het is een prachtige manier om de volledige zelfloze wederzijdse samenhang en afhankelijkheid tot uitdrukking te brengen zonder ons unieke bestaan uit het oog te verliezen. We zijn alomvattend, we zijn elkaar en we zijn onszelf. Lijden bestaat volledig uit elementen van niet-lijden. Zonlicht, stof, lucht, hitte en kou, vliegen, kamelen, bloemen en vlinders, oude tijden, Maharadjas, kleuren en duisternis, vaders en moeders en bananen. Niets van dat alles is lijden. En soms komen al die elementen samen op een bepaalde manier en dan zijn er zware omstandigheden en lijden. Niets bijzonders, niets dramatisch. In iedere situatie, ieder wezen, ieder verhaal, is alles aanwezig. In armoede en lijden is alles aanwezig. Zo is er armoede maar geen armoedementaliteit. Zo kan ik zien en zonder oordeel volledig deelgenoot zijn, zonder afstand en tegelijk met complete openheid om te handelen en niet te handelen al naar gelang de situatie van dit exacte ogenblik.
India!
Voor de eerste keer zit ik achter mijn tablet en voel dat het tijd is om wat van mijn eerste indrukken op te schrijven. We zijn nu tien dagen in India en mijn ogen zitten nog vol met indrukken die nog niet zijn verwerkt. Mijn hart is een beetje rauw. India, of in iedergeval Rajastan, is een rauw land. Leven en dood spelen zich recht onder mijn blikken af. Er is geen enkele gène in de zichtbaarheid van lijden, vreugde, boosheid, verbazing, kortom alle emotie en alle staten van zijn. En tegelijkertijd is er wel degelijk preutsheid, worden openbare uitingen van genegenheid tussen man en vrouw afgekeurd, dragen getrouwde vrouwen sokken in hun slippers en ga zo maar door. En niemand lijkt zich druk te maken over deze voor ons zo verwarrende tegenstellingen.
Leven gebeurt hier op straat en zonder veel omhaal. Leven gebeurd hier ook dramatisch dicht bij de rand van het bestaan voor verreweg de meesten en ook dat gebeurd zo te zien zonder veel drama te maken van de dramatiek. Het is net als de koeien hier. Die scharrerlen dwars door alles heen. In Jaisalmer lopen ze in een rijtje door de straten terwijl de tuktuks, motoren, scooters, fietsers en wandelaars als een orkaan om hen heen draaien, zonder dat die koeien zelfs maar opkijken. Volkomen gelijkmoedigheid.
En tegelijkertijd weet ik dat de emoties hier soms heel hoog op kunnen laaien met moord en doodslag als gevolg. Weer zo’n tegenstellingen die niemand hier vreemd vindt.
Ik voel me hier ongelooflijk thuis. Het is bijna alsof ik hier lange tijd gewoond heb en nu terugkeer. Onwennig, maar wel bekend. Ik voel me ook heel veilig. De dagmarkt in Jodhpur is zo’n plek waar ik makkelijk een dag rond kan dwalen. Omdat er nauwelijks toeristen rond lopen let niemand speciaal op me. Je kan er gewoon een kilo bananen kopen zonder meteen een “special price” om je oren te krijgen. In Jaisalmer is dat héél anders. Daar riep een marktkoopman heel eerlijk en met gevoel voor humor, “let me help you spend your money”! Maar ook daar is er een openheid en een bereidheid tot contact die hartverwarmend is. Er zit een soort van warmte hier in de manier waarop we naar elkaar kijken en proberen te converseren ook al spreken we nauwelijks tien woorden die we wederzijds verstaan. De glimlach zegt meer. Ik kocht een prachtige grote pashmina shawl in Jaisalmer (tering, wat kan het daar koud zijn s’avonds) en de langdurige onderhandelingen tussen mij en de handelaar hebben we afgemaakt op 2100 rupee en een knuffel. Hij noemde mij boss en ik hem chief. Daarna hebben we gelachen en vastgesteld dat we slechts boss en chief waren, en dat onze partners uiteindelijk de Maharani’s zijn.
Eén van de redenen waarom ik me hier zo thuis voel is dat ik hier niet alleen als buitenstaander welkom ben, en dus niet alleen vanwege de handel of de fooi, maar mezelf onderdeel voel van een gemeenschap. Dat gevoel van gemeenschap hier is sterk. Niemand kan hier overleven zonder de gemeenschap. Daar zullen vast ook minder leuke kanten aan zitten, maar ik voel en zie een grote samenhorigheid in de manier waarop mensen bij elkaar komen. Onze treinwagon in de Superfast Express Train van Jodhpur naar Jaipur was een goed voorbeeld. Dat Superfast betekende dat we vijfeneenhalf uur deden over 325 km. In die tijd speelden we met de dochtertjes van een echtpaar verderop in de wagon, kregen we een gedurige stroom thee- en koffieventers langs, werd voor alle betrokkenen duidelijk dat de wagonchef een etterbak was, en luisterde ik naar het verhaal van een man die met het vierjarige dochtertje van zijn broer op weg was van Jodhpur naar Delhi om haar naar haar ouders te brengen voor een paar dagen. Daarna zou hij haar weer mee terug nemen naar Jodhpur (het kind woont bij hem en zijn vrouw) terwijl de ouders voor hun werk in Delhi blijven. We spraken over wat het bekent voor de familie om zo verspreid te wonen en hoe belangrijk familie is. De hele wagon werd min of meer familie voor de duur van de rit. Natuurlijk zaten er ook mensen die alleen oog hadden voor hun mobieltje, maar het gevoel van familie en de familiariteit en wederzijdse behulpzaamheid is sterk hier.
Ook de kleuren lijken hier contrastvoller. De vrouwen vooral, kleden zich in de meest dramatisch kleuren. Ze dragen knalpaarse, goudkleurige, woest oranje hempdjes en gedurfde sari’s, gebloemde shawls de een nog mooier dan de andere. Een stuk of twintig gekleurde armbanden aan beide armen en een amberkleurige vlek op het voorhoofd. Zo loopt de gemiddelde bedelares hier rond. En er zit een grote waardigheid in de manier waarop zo lopen. Armoede is hier geen uitzondering en er is dus ook geen enkele schaamte. Zij zijn arm en ik heb geld dus er is niets mis mee om aan mijn arm te plukken en een hand voor mijn neus te wapperen.
Bovendien is er een grote bereidheid tot behulpzaamheid. Als onze taxi chauffeur de weg kwijt raakt, wat regelmatig gebeurd want een tomtom zou hier geen enkele zin hebben, dan vraagt hij de weg aan iedere willekeurige voorbijganger die weer andere voorbijgangers te hulp roept tot er zes mensen tegelijkertijd de weg proberen te duiden. Heel gewoon hier. In ons hotel in Jodhpur vroegen we of ze een travel agent wisten omdat we nog een terugrit moeten regelen van Jaisalmer naar Jaipur. Twee uur later had de hotel manager alles piekfijn geregeld met tickets voor trein en vliegtuig en een taxi naar de luchthaven. Van een fooi wilde hij niets weten.
Ik mis jullie allen en tegelijkertijd ben ik thuis.
Bevrijdende geboden, bevrijdende geloften
Gisterenavond hebben we de Ryaku Fusatsu ceremonie gedaan in de zendo. Het is het (her)bevestigen van onze geloften nadat we het vers van deemoed hebben uitgesproken. Kort geleden sprak ik met iemand over Jukai en we vergeleken de Boeddhistische geloften met de Tien Geboden zoals we die kennen uit het Christendom. We zijn beiden oorspronkelijk geworteld in een Christelijke traditie en zo viel ons de overeenkomst op dat in beide tradities het afleggen van geloften wordt gezien als een pad van bevrijding. Daar zitten veel verschillende kanten aan.
Het afleggen van geloften is bijvoorbeeld bevrijdend omdat het niet een éénmalige aangelegenheid is. Het is een eindeloos proces. We committeren ons, we worstelen er mee, we verbreken ze, we vinden ze weer terug en we verbinden ons er weer mee. Zo houden we ze in stand en al deze onderdelen horen erbij. Het stelt ons dus in de gelegenheid om steeds weer opnieuw te beginnen. Daarom speelt in de Jukai en Fusatsu ceremonies het vers van deemoed ook zo’n belangrijke rol. Ik laat alles achter, maar niet voordat ik erken wat er was en de volle verantwoordelijkheid neem voor al wat is geweest (dat kan dus ook betekenen dat ik dingen die scheef zijn komen te staan in mijn leven, recht moet zetten). Dan zet ik blanco, bevrijd, de eerste stap. Steeds opnieuw.
En door steeds weer terug te keren naar de geloften, vinden we ook de weg terug naar onszelf. Ik kan mezelf de vraag stellen “Hoe wil ik leven? Hoe wil ik mezelf ontwikkelen? Hoe wil ik me verhouden tot de wereld om me heen? En uiteindelijk: Wie ben ik?” Dit is een ander aspect van bevrijding. De geloften roepen vragen op over onze houding, ons gedrag, onszelf. Ze zijn een uitnodiging om onszelf diepgaand te onderzoeken. Ze kunnen een venster openen naar onze blinde vlekken, onze ingesleten patronen. Ze tonen ons onze pijn en lijden, de dingen waaraan we kunnen werken, wat we kunnen bekijken om opener te worden. Ze vormen een opening waardoorheen we onze ware aard kunnen gaan zien. Onze schaduwen en ons licht. Licht en duisternis. Hoeveel er ook over gezegd en geschreven is (bibliotheken vol), uiteindelijk is het onzegbaar, onkenbaar, onbeschrijfbaar. We geven ons over aan het mysterie. Ook dit is bevrijding.
De laatste Dharma toespraak van Malgosia Roshi
Deze tekst kreeg ik van Andrzej Sensei, de echtgenoot van Malgosia Braunek Roshi.
Malgosia Roshi’s Last Dharma Talk
Master Shizan answered a student, that not-knowing is most intimate.
For over a year this most intimate practice has been with me during every moment. I don’t have to try to remember it anymore. True, in the beginning there was struggle and sometimes a sincere rebellion when everything has been changing from moment to moment and subsequent plans have been falling through, or when thoughts have been arising that I must know! whatever, at least how and how long this will go on. One cannot live in such a way! But, nevertheless, I am not doing anything else – I continue living now.
The total acceptance of „don’t know“, in spite of many years of practice, turns out not to be such a simple thing… but when it happens that I do accept that I don’t know, I let go thoughts, images, expectations, and so fears and mental frustrations disappear, and silence and peace arise. It turns out that we have in us this safe space and the key to it, all the time and it only depends on us whether we make use of it.
DON’T KNOW gives us strenght and trust in everything that appears, and is the true antidote for our expectations that things be different from what they are.
May every day be limitless like today’s sky, which in its blue contains everything, as it knows nothing.
I am with you and I am very grateful to you for everything that you are doing for me. I lack the words to express how much it all moves me.
Hope to see you soon in the zendo!
Wees welkom
Heel lang geleden kwam ik dit gedicht tegen van Jalal ad-Din Rumi (kortweg Rumi). Ik voelde een diepe aantrekkingskracht maar ik was jong en vond ik het moeilijk om er in door te dringen. Misschien was ik er toen gewoon niet klaar voor. Een paar weken geleden hadden we het in de zendo over schuld en veroordeling en herinnerde ik me het gedicht weer en heb het opgezocht. Tijdens de afgelopen sesshin in Steyl las ik gedichten van Hafez (dankjewel Micha) en kwam Rumi weer bovendrijven in mijn geheugen. Dit is de tekst:
Come to me
Come again
Whoever you are
This door is not the door of guilt or shame
Even if you made a thousand vows
And broke them all time and again
This door is open to everyone
Just come
Come as you are
Rumi
Kom tot mij
Kom weerom
Wie je ook bent
Deze poort leidt niet naar schuld of schaamte
Zelf al deed je duizenden geloften
En verbrak ze alle
Duizend keer
Deze poort is voor ieder open
Kom gewoon weer
Kom zoals je bent
Rumi
Er bestaan veel en sterk verschillende Engelse vertalingen maar deze is voor mij wel een van de mooiste (de Nederlandse vertaling heb ik gebaseerd op de Engelse).
Het is zo uitnodigend en liefdevol. Het laat me binnen zonder oordeel, zonder mitsen en maren, onvoorwaardelijk. Het is een poort die open staat al is het wel degelijk een doorgang. Of ik binnen stap is een keuze, maar tegelijkertijd een aanvaarding van wie ik ben, zoals ik ben. Volkomen onontkoombaar. En zo is de poort ook géén poort. De doorgang is het realiseren dat er nooit een barriëre is geweest en dat ik terugkeer naar wie ik altijd al was en altijd zal zijn. Wees welkom.
To serve
Recent was ik samen met Roshi, Corinne en Amy in Gent bij Frank De Waele. Frank deelde met ons een uitspraak van Rachel Naomi Remen in de Shambala Sun. En ik wil die graag delen met jullie.
“Helping, fixing and serving represent three different ways of seeing life. When you help, you see life as weak. When you fix, you see life as broken. When you serve, you see life as whole.
Het hele artikel is hier te vinden en ook haar boek “Kitchen Table Wisdom: Stories That Heal” is zeer de moeite waard of je nu hulpverlener bent of niet.
99 Luftballons
In 1983 had de Duitse zangeres Nena een hit met Neunundneunzig Luftballons. Een anti-oorlog-disco-hit waaraan ik persoonlijk mooie herinneringen koester (die overigens meer met Helen en mij te maken hebben dan met de inhoud van het nummer). Ik hoorde laatst in het centrum van Den Haag een flard ervan en kreeg die niet meer uit mijn hoofd. Dus (dank u YouTube) zocht ik Nena en Neunundneunzig Luftballons weer eens op (klik maar op de link). Het nummer zelf doet me nu niet meer zoveel maar de clip met de exploderende luchtballonnen deed wel wat.
Mijn kleine ik-zelf denkt te wonen in een ballon. En die ballon is een geloof. Een geloof in een ik-zelf dat op zichzelf staat, onafhankelijk, vrij en veilig is. Alles OK. Maar tegelijkertijd is het allemaal niet OK, want de ballon blijkt geen bescherming te bieden tegen eenzaamheid, angst, agressie, machteloosheid, jaloezie, ziekte, ouderdom en dood. En continue word ik-zelf geconfronteerd met situaties waaruit dit ook blijkt. De ballon ontploft telkens weer. Het leven prikt hem door en de klap kan hard zijn.
Hoewel we héél veel tijd en inspanning investeren in het maken en in stand houden van dit geloof in een losstaand, individueel en onafhankelijk ik-zelf, weten we ook wel dat het helemaal niet reëel is. Maar we proberen dat níet te zien, we negeren het. En dat hardnekkige negeren veroorzaakt stress en angst. Het is het ballonnen blazen, het vasthouden aan de gewoonte van dit geloof, het vasthouden aan – en centraal stellen van ik-zelf, dat ons de angst in jaagt. Het ik-zelf woont niet in een ballon, het ik-zelf ís de ballon. Het ik-zelf heeft niet een geloof, het ik-zelf ís het geloof.
Dus wat zou er gebeuren als we die gewoonte zouden loslaten? Als we op zouden houden met vasthouden aan het geloof in een ik-zelf dat op zichzelf staat, onafhankelijk en vrij is en los staat van alle “anderen”? Wat zou er gebeuren als we ik-zelf niet meer centraal stellen en niet meer vanuit dat centrum proberen te leven? Wat zou er gebeuren?
Malgosia Roshi
Ik ben zo lang afwezig geweest dat ik me kan voorstellen dat jullie hebben gedacht dat dit blogje ten onder was gegaan. Maar niet dus. Na lange tijd van droogte en drukte met andere dingen, blijkt mijn “schrijfneiging” nog te bestaan.
Er is zoveel gebeurd de afgelopen tijd. Ik heb het gevoel dat ik volledig binnenstebuiten en ondersteboven ben gekeerd. En dat mijn huid van me afgestroopt is geweest en niet helemaal is teruggekomen. Alles is nog steeds heel rauw en open. Er is iets ten onder gegaan en er is iets begonnen. Nieuw en niet nieuw. Begonnen en onbegonnen. Zo iets, maar dan toch ook weer anders, want woorden komen wel dichtbij maar niet helemaal.
Afgelopen week is Malgosia Jiho Braunek Roshi overleden. Mijn leraar, Genno Pagès Roshi, heeft een prachtige reflectie over haar geschreven op de website van de Zen Peacemakers. Ik voeg een link toe.
Recent kwam ik deze tekst weer tegen: “Aproaching death, completely open, completely vulnerable, and completely embracing the fear of death, and being open and exposed about it, is in itself dying before death. The fears can be embraced, not hiding anything, not escaping anything. In fact, preparing well and openly for death before dying, is a tremendous gift, a gift to all sentient beings”.
Malgosia Roshi heeft haar pad, haar leven en haar levenseinde zo open gedeeld met iedereen om haar heen. Wat een gift. Wat een inspiratiebron. Ze is er nog, ze is nooit weg. En toch zal ik haar missen.
Adem in, adem uit.
Ergens in “Old Path White Clouds” schrijft Thich Nhat Hanh uitgebreid over de beoefening van “mindfulness of breathing”, (de Anapanasati Sutta) en ik herinnerde me een paar weken geleden een stukje dat ik naar aanleiding van die passage in het Engels schreef over de “pauzes” in ademen. Ik herlas het, en tijdens de dinsdagavondmeditatie in de zendo hadden we het erover en hoe we ademhaling ervaren van moment tot moment. Iemand maakte een prachtige vergelijking. Hij had het over het moment tussen in- en uitademen en vergeleek dat met het gevoel dat hij had als jongetje op een schommel op het hoogste punt. Naar aanleiding daarvan heb ik het oorspronkelijke stukje aangepast en zo goed en zo kwaad als dat gaat (sorry voor het ietwat houterige Nederlands) vertaald.
Tussen uitademen en inademen is een pauze. Een geaarde vredige stilte. Een ogenblik, een ontspanning, een moment van stilte tussen leven en leven. De stilte van dood, vredig en ongelofelijk wijds en open. En dan, volkomen van nature, ontspringt vanuit en binnen deze stilte, een nieuwe, nog nooit eerder geademde adem. Een verdichting, een concentratie van stilte in beweging. Dit is ook de volkomen eenheid van stilte en beweging.
Tussen inademen en uitademen is ook een pauze. Een moment van beweeglijke rust, heel kort. Als een kind op een schommel op het hoogste punt. Op het randje van… Geen beweging, gebalanceerd in dit moment, en vol beweging, vol onbegrensd potentieel. Het is zo levend en klaar voor alles, in complete open overgave en zonder iets te weten. Beweging die nog niet geboren, maar wel aanwezig is. Altijd aanwezig is.
De aard van deze twee ogenblikken is volledig verschillend en volkomen gelijk. Het is transformatie, stille transformatie.
Ik ben niet iets, ik ben die transformatie. En de angst van “Ik” is grotendeels gefundeerd in de ongrijpbaarheid ervan, de ongrijpbare aard van “ik”.
