No Self, or Non-Selfing

Last December we started our four-day sesshin with a Fusatsu Ceremony. Fusatsu is an intense ceremony that first brings the suffering we have caused out into the openness of our hearts, so we can acknowledge and atone for it. We start with the Verse of Atonement. And then we continue by renewing our vows and taking refuge again. The ceremony is a renewal for those who have taken Jukai before (the Precepts ceremony in which one officially becomes a Buddhist), but it is as relevant for those who have not. Firstly because we all know that we cause suffering and secondly, because we all have an innate and strong intention to not cause pain. And Fusatsu brings that intention, which has always been present in all human beings, to the fore.
According to the founder of our lineage, Eihei Dogen Zenji, the precepts, also known as the Kai, are “the single most important matter of our school”, so anything that reminds us of these precepts is very precious indeed.

When I think of what the Shakyamuni Buddha taught, things like Anatta (Presence Without Self), Anicca (Presence without Permanence), Anutpada (Presence without Origin) and Sunyatta (Presence without anything) come up. It’s about seeing reality as it is, i.e. without self, without solidity, without labels or meaning. Undefinable, without substance and beyond Good or Evil, beyond sin.
In “Revelations of Divine Love”, Julian of Norwich (a fourteenth century English mystic) confessed, when describing one of her visions:
“The truth is, I did not see any sin. I believe that sin has no substance, not a particle of being, and cannot be detected at all except by the pain it causes. It is only the pain that has substance, for a while, and it serves to purify us, and make us know ourselves and ask for mercy.” [Transl. Mirabai Starr].

Julian of Norwich does not emphasize sin, or guilt. She points us towards the suffering caused and makes it clear that even that is a fleeting, changing, temporary thing without solidity. So looking at the ways in which we cause suffering and pain, serves to deepen our compassion and love towards all beings that suffer, including ourselves. Her message is exactly the same as the Buddha’s in all its practical implications. And if there is no sin, then obviously, there is no sinner with any substance either. So when she speaks about knowing and purifying ourselves, it is purifying ourselves of self-clinging and thus to know ourselves as pure being, without self.

The questions we worked with in the sesshin revolved around this Being Without Self and how that changes our perspective. We specifically looked at the precept “I vow to refrain from Stealing”. The vow to practice “non-stealing”.
If I look at it superficially, it simply means “Do not steal” Just don’t! This is, frankly, good advice. A good starting point as a general rule. Don’t take anything as yours that is not explicitly yours or given to you. From money, to biscuits, to time, to life. We can steal many things. Objects, like money or material possessions. We can also steal someone’s reputation by speaking ill of someone, by gossiping. We can steal someone’s happiness, even someone’s life. All the precepts mirror all the others in fact.
But this dualistic view is rather limited. It does not leave much room for a wider perspective and can cause more suffering from its ruthlessly black-and-white perspective. It does not liberate.

Stepping beyond that is going from not-stealing to non-stealing. In non-stealing there is no stealing possible, for there is no me, nor you, nor anything separating me and you. There is no “mine” nor is there “yours” and no stealing at all. If I come from resting there (which is a non-place), then there is nothing separating and nothing lacking, no shortage, no neediness, and the urge to steal doesn’t need to be addressed as that totally disappears.
We don’t steal, as we need nothing. Sometimes people say that this is a free ticket to stealing without any morality and no sense of right and wrong. But it doesn’t work that way. We can only steal if we revert back to a dualistic, selfish, self-centered sense of desire and incompleteness that raises neediness. If I am complete, what need would I have of anything to possess?

The one thing that remains then, is a natural and innate sense of kindness and compassion, because the pain and suffering of human beings who feel incomplete and alone and needy and greedy, are clearly my pain and suffering also.

To cease from evil is to stop “selfing” and to train in this always. Just this.
To do good is to open myself to the suffering of all beings as my suffering, without any separation.
To do good for others is to see in each moment what can be done to help suffering beings on a path towards true refuge.

Taking Refuge, seeking refuge, is essential.
Refuge in non-selfing, non-knowing presence (Buddha).
Refuge in non-solid, non-separated reality (Dharma).
And Refuge in the way of selfless kindness, compassion, and joy (Sangha).

Geen Zelf, of Niet-Zelven?

Onze vierdaagse december sesshin zijn we deze keer begonnen met een zogenaamde Fusatsu-ceremonie. Fusatsu is een intense ceremonie. Om te beginnen leggen we het lijden dat we hebben veroorzaakt bloot, in de openheid van ons hart, zodat we het kunnen erkennen en herkennen. Dus we beginnen met het Vers van Deemoed. Dan gaan we verder door onze geloften te hernieuwen en opnieuw toevlucht te zoeken. De ceremonie is een hernieuwing voor degenen die al eerder Jukai hebben gedaan (de ceremonie waarbij je officieel boeddhist wordt), maar is evenzo relevant voor degenen die dat niet hebben gedaan. Ten eerste omdat we allemaal weten dat we lijden veroorzaken en ten tweede omdat we allemaal een aangeboren en sterke intentie hebben om geen pijn te veroorzaken. En Fusatsu brengt die intentie, die in alle mensen altijd al aanwezig is en was, naar voren.
Volgens de grondlegger van onze traditie, Eihei Dogen Zenji, zijn de leefregels, ook bekend als de Kai, “de allerbelangrijkste aangelegenheid van onze school”, dus alles wat ons aan deze leefregels herinnert is kostbaar.

Wanneer ik denk aan wat de Shakyamuni Boeddha ons heeft geleerd, komen dingen op als Anatta (Aanwezigheid zonder Zelf), Anicca (Aanwezigheid zonder Permanentie), Anutpada (Aanwezigheid zonder Oorsprong) en Sunyatta (Aanwezigheid zonder Iets). Dat gaat over het zien van de werkelijkheid zoals die is, namelijk zonder zelf, zonder soliditeit, zonder labels of betekenis. Ondefinieerbaar, zonder substantie en voorbij goed of kwaad, voorbij zonde.
In “Revelations of Divine Love” zegt Julian van Norwich (een veertiende-eeuwse Engelse mystica) bij het beschrijven van een van haar visioenen:
“De waarheid is dat ik geen zonde zag. Ik geloof dat zonde geen substantie heeft, zelfs niet een klein beetje, en dat het in het geheel niet kan worden waargenomen, behalve door de pijn die het veroorzaakt. Alleen de pijn heeft voor een tijdje substantie, en die dient om ons te zuiveren en onszelf te leren kennen en om genade te vragen.” [naar Engelse vertaling van Mirabai Starr]

Julian van Norwich legt geen nadruk op zonde of schuld. Zij wijst ons op het veroorzaakte lijden en maakt duidelijk dat zelfs dat een vluchtig, veranderlijk, tijdelijk iets is zonder soliditeit. Dus kijken naar de manieren waarop we lijden en pijn veroorzaken, dient om onze compassie en liefde te verdiepen voor alle wezens die lijden, inclusief onszelf. Haar boodschap is precies hetzelfde als die van Boeddha in al zijn praktische implicaties. En als er geen zonde is, dan is er natuurlijk ook geen zondaar met enige substantie. Dus als ze spreekt over het kennen en zuiveren van onszelf, heeft ze het over het ons bevrijden (zuiveren) van het idee van een afgescheiden “ik” (self-clinging), en dus het kennen van onszelf als zuiver “zijn”, zonder zelf.

De vragen waarmee we in de sesshin hebben gewerkt gingen over dit Zijn-zonder-Zelf en hoe dat ons perspectief verandert. We hebben specifiek gekeken naar de gelofte: “Ik beloof dat ik niet zal stelen”. Ik beloof om te proberen de gelofte van “niet-stelen” te beoefenen.
Als ik het oppervlakkig bekijk, betekent het simpelweg: “Steel niet”. Gewoon niet! Dit is eerlijk gezegd een goed advies. Een goed uitgangspunt als algemene regel. Neem niets als van jouw, dat niet expliciet van jou is of wat expliciet aan je gegeven is. Van geld, tot koekjes, tot tijd, tot leven. We kunnen véél dingen stelen. Voorwerpen, zoals geld of materiële bezittingen. We kunnen ook iemands reputatie stelen door kwaad over iemand te spreken, door te roddelen. We kunnen iemands geluk stelen, zelfs iemands leven. In feite weerspiegelt iedere gelofte ook meteen alle andere.
Maar deze dualistische visie is nogal beperkt. Het laat niet veel ruimte voor een breder perspectief en kan weer nieuw lijden veroorzaken vanwege het nogal meedogenloze zwart-witperspectief. Het bevrijdt niet.

Een stap verder gaan betekent van “niet stelen” gaan naar “niet-stelen”. Door te verblijven in niet-stelen wordt stelen onmogelijk, want er is geen ik, noch jij, noch iets dat mij en jou scheidt. Er is geen “van mij” en ook geen “van jouw” en er wordt helemaal niets gestolen. Als ik daarin tot rust kom, dan is er niets dat ons scheidt en niets dat ontbreekt, geen tekort, geen behoeftigheid, en de aandrang om te stelen hoeft niet te worden aangepakt, want die verdwijnt volledig.
We stelen niet, omdat we niets nodig hebben. Soms zeggen mensen dat dit een vrijbrief is voor stelen zonder enige moraliteit en zonder enig besef van goed en kwaad. Maar zo werkt het niet. We kunnen alleen stelen als we terugkeren naar een dualistisch, egoïstisch, egocentrisch gevoel van verlangen en onvolledigheid wat behoeftigheid aanwakkert. Als ik compleet ben, welke behoefte zou ik dan hebben aan meer bezit?

Het enige wat overblijft, is een natuurlijk en aangeboren gevoel van vriendelijkheid en mededogen, omdat de pijn en het lijden van mensen die zich onvolledig en alleen, behoeftig en hebzuchtig voelen, duidelijk ook mijn pijn en lijden zijn.

Ophouden met kwaad doen betekent stoppen met “zelfzucht” en hierin steeds oefenen. Gewoon alleen dat.
Goed doen betekent mezelf openstellen voor het lijden van alle wezens als mijn lijden, zonder enige separatie.
Goed doen voor anderen betekent op elk moment zien wat gedaan kan worden om lijdende wezens te helpen op weg naar Toevlucht.

Toevlucht nemen, toevlucht zoeken, is hierin essentieel.
Toevlucht in niet-zelfzuchtige, niet oordelende aanwezigheid (Boeddha).
Toevlucht in de niet-solide, niet-separate werkelijkheid (Dharma).
En toevlucht nemen tot de weg van zelfloze vriendelijkheid, mededogen en vreugde (Sangha).