Me, Myself and I (a.k.a. Michel Sensei)

Begin juni was ik met Helen in Zuid-Frankrijk voor een week vakantie. Tijdens die vakantie had ik nogal last van mijn rug (spier flink verrekt) en las ik “Pure and Simple” van Upasika Kee Nanayon (1901-1978). Het weer in Frankrijk was ook niet wat we daar gewend zijn. Het was bewolkt en zo nu en dan nogal fris. En de spieren in mijn rug waren strak en pijnlijk met een scherpe plek tussen mijn schouderbladen. Mijn stemming was dus een beetje mopperig. Beetje balen van dat weer en flink balen van de pijn. Maar gelukkig was daar Kee Nanayon om korte metten te maken met het gezeur. Kee Nanayon was een Thaise upasika, een vrouwelijke lekenvolgeling van het pad. Hoewel ze formeel geen non en geen leraar was (in de Thaise traditie zijn er al in eeuwen geen vrouwelijke monnikswijdingen meer) wordt Kee Nanayon in Thailand en daarbuiten, veertig jaar na haar dood, nog steeds zeer vereerd en gerespecteerd als leraar. Haar lessen zijn hyper-direct, praktisch, no-nonsense, eenvoudig zonder vereenvoudigingen. Ze windt er geen doekjes om. Ze wees me er in klare taal op dat ogen, oren, neus, mond en huid, kortom de fysieke zintuigen, enkel poorten zijn, deuren waardoor ervaringen binnen kunnen komen in bewustzijn. En hetzelfde geldt voor gevoelens en gedachten. Ook die kan ik zien als ervaringen die door een soort van “mind’s eye” binnentreden in bewustzijn. Als ze gestopt worden bij de poort, kunnen ze erkend en aanvaard worden, zonder dat ze uitgesplitst worden in “onprettig”, “prettig” of “neutraal” en dus ook zonder dat ze uitgebouwd worden, en zonder dat ze geweigerd, dan wel vastgehouden, dan wel genegeerd hoeven te worden. Als ze gestopt en losgelaten worden, vervagen ze snel en worden ze vervangen door nieuwe ervaringen. Ze blijken vergankelijk en zonder eigen losstaande substantie, zonder Zelf. Het herinnerde me aan een uitspraak van meester Matzu. Als de voorafgaande gedachte, de huidige gedachte en de volgende gedachte niet langer aan elkaar gebonden zijn, dan wordt tussen de gedachten de achterliggende ruimte zichtbaar. De stapelingen van ervaringen, de skanda’s, hebben dan niet langer een kern omdat het de IK-maker niet meer wordt toegestaan om alle ruimte in te nemen en alles te claimen. De pijn bleef en het weer werd maar niet beter. Pijn is pijn. Het lichaam, bestaande uit bloed en botten, pezen en spieren en (een beetje teveel) vet, voelt de warmte van de zon als die schijnt, en de natheid van regen als die valt. Het is zoals het is. Warm is warm en koud is koud. Maar als IkZelf zich er tussen wringt en alle ervaringen claimt als MIJN ervaringen, dat wordt de kou, MIJN kou en de pijn MIJN pijn. En IkZelf ben degene die solide op zichzelf staat en overal iets van vind. Dit wil IK wel, Dat wil IK niet. Het geeft heel veel soliditeit en macht aan Ik en alles wat Ik ervaar. Het creëert een grote afstand tussen IK en MIJN leven. Dan kan ik mijn leven verwensen, er aan lijden, er bang van zijn. Tijdens de avondschemering keek ik vanaf het terras uit over zee, en dacht: Noemt de zee zichzelf Middellandse Zee? Noemt een boom zichzelf Cypres of Eik? Ze zijn heel precies en duidelijk en uniek zichzelf, en tegelijkertijd splitsen ze zich niet af van eenheid. Als er geen IK wordt gemaakt, dan houdt de strijd op. Er is een prachtige koan over Meester Tokusan. Het speelt zich heel kort voor zijn dood af. Tokusan is stervende. Een monnik vraagt hem: “Meester, u bent erg ziek. Is er ook één die nooit ziek is?” Tokusan antwoordt: “Ja, die is er ook.” De monnik vraagt: “Kunt u me vertellen van degene die nooit ziek is?” Tokusan kreunt: “Oh! Auw!”

In the beginning of June Helen and I were in the South of France for a week’s vacation. While there, I was having a severe pain in my back (a torn muscle) and I was reading “Pure and Simple” by Upasika Kee Nanayon (1901-1978). Also, the weather in France was not what we are used to there. It was overcast and rather cold from time to time. And the muscles in my back were tight and painful with a sharp spot between the shoulder blades. My mood was a bit grumpy. Grumpy about the weather, and actually down right pissed of with the back ache. But thankfully, there was Kee Nanayon to make short work with the whining. Kee Nanayon was an Upasika from Thailand, a female lay follower of the path. Although formally she was not a nun nor a teacher, (there hasn’t been womens ordination for centuries in Thailand) even now, forty years after her death, she is deeply revered as a teacher in and indeed outside of Thailand. Her teachings are hyper-direct, practical, no-nonsense, simple without simplifications. She pulls no punches. She pointed out to me clearly, that eyes, ears, nose, mouth and skin, the physical sense organs, are just gates, doorways through which experiences enter into awareness. And the same is true for feelings an thoughts. These too I can perceive as experiences arising in awareness through the gate of the mind’s eye. If they are stopped at the gate, they can be recognised and accepted without being split up into “unpleasant”, “pleasant” or “indifferent”. And therefor also without any need for rejection, clinging or ignoring. When they are just stopped and not clung to, they soon dissipate and are replaced by new experiences. They turn out to be transient, impermanent and without and separate substance, without Self. It reminded me of a saying by Master Mazu. When the previous thought, the present thought and the next thought are no longer connected, then between these thoughts the space behind them becomes vissible. The heaps of experiences, the skanda’s, then no longer have a solid core, because the I-maker is not indulged any more in taking all the space and claiming everything. Meanwhile, the pain and the weather weren’t getting any better. Pain is pain. The body, consisting of blood, bones, muscles and (a little too much) fat, feels the warmth of the sun when it shines and the wetness of the rain, when it falls. It is what it is. Warm is warm and cold is cold. But when the MeSelf inserts itself and starts claiming all experiences as MY experiences, then the cold becomes MY cold and the pain MY pain. And MeSelf is the one that stands solidly alone and has an opinion about everything. This I want. That I don’t want. It gives a lot of power and solidity to ME and to MY experiences. It creates a big distance between ME and MY life. Then I can curse my life, suffer from it, be afraid of it. While the sun was setting I looked at the sea from the terrace and thought: Does the sea call itself The Meditaranean? Does a tree call itself Cypress or Oak? They are very precisely and uniquely themselves and at the same time do not separate themselves from the oneness. When there is no I-making the battle stops. There is a wonderfull koan about Master Tokusan. Tokusan is old and dying, and a monk asks him: “Master, you are very ill. Is there also one who is never ill?” Tokusan replies: “Yes, there is.” The monk asks: “What about the one who is never ill?” Tokusan replies: “Oh! Auw!”

Hoe wil ik leven / How do I want to live?

Twee mensen zijn zich aan het voorbereiden zijn op het ontvangen van Jukai (komende Augustus in Holten), en dus ben ik mezelf daar ook op aan het voorbereiden. Onlangs las ik Chögyam Trungpa Rinpoche’s boekje “The Path is the Goal” weer. Daarin schrijft hij over werken met de zes Paramita’s, de zes perfecties of liever cultiveringen, die diep verbonden zijn met de zestien geloften van Jukai.
Het gaat in de kern over de vraag: Hoe wil ik leven? Hoe wil ik vrede vinden in mezelf en hoe kan ik in vrede leven met de wereld om me heen? Werken met de zestien geloften is daarin van zo grote waarde dat Eihei Dogen schrijft dat de geloften de belangrijkste zaak zijn van onze traditie, “The single most important matter of our school”.
Maar wanneer we de geloften gaan hanteren als strikte geboden en verboden, gaat er iets mis. Als we dát doen is de kans groot dat we eigenlijk alleen maar dieper verstrikt raken in innerlijke en externe oordelen en veroordelingen. En dat leidt weer tot innerlijke en externe conflicten en een groeiende kloof tussen onszelf en de wereld, en tussen onszelf en onszelf.
Ik vraag me regelmatig af waarom ons zicht op moraliteit (de Paramita van Sila) vaak zo extreem zwart / wit is. Het is goed of fout, juist of onjuist. We hebben uitgesproken meningen (waarvan we overtuigd zijn) en soms krijg ik het gevoel dat het in moraliteit vooral gaat om onze overtuigingen luidkeels tot uiting te brengen en daar zo hardnekkig mogelijk aan vast te houden. Wellicht is dat zo omdat we anders bang zijn verward te raken. Of erger: bang om het VERKEERD te zien, om FOUTEN te maken. De vraag is natuurlijk of de wereld beter af is, en wijzelf beter af zouden zijn, als alles onversneden helder en gestoken scherp te verdelen valt in goed en niet goed, zonder ruimte voor ambivalentie en twijfel. Hoeveel ruimte houden we dan over? Hoeveel (mede)menselijkheid zou overeind blijven?
Taizan Maezumi Roshi’s gevleugelde uitspraak was: “Practice is about closing the gap between yourself and your self” (wat je op verschillende manieren kan opschrijven; één spatie kan een verschil maken. Of in dit geval juist helemaal géén verschil). Hoeveel ruimte hebben we nodig om de kloof tussen onszelf en ons zelf te overbruggen? Je zou kunnen zeggen dat dat een rare vraag is. Geen afstand tussen mezelf en mij zelf vraagt zo’n nabijheid, dat er geen spleetje ruimte overblijft. Maar wellicht is de kloof die het denkende hoofd bedenkt tussen tussen mezelf en mij zelf het makkelijkst te overbruggen door de grenzeloze ruimtelijkheid van ons hart binnen te gaan, waarin wijzelf en ons zelf naadloos één zijn en tegelijkertijd elkaar ontmoeten. Kan er iets dieper intiem zijn?
Misschien is moraliteit ook wel te vertalen als het kweken en voeden van een cultuur van ontwaken. Het kweken en voeden van een houding, een manier van leven, die ontwaken wil bevorderen in onszelf en rondom ons. Een cultuur die onszelf richt op het bieden van ondersteuning aan iedereen op het pad. Een cultuur die poogt open en aandachtig te zijn, aanwezig en beschikbaar, hier, nu.
Chögyam Trungpa probeerde dat en hij deed meer dan de meesten. Dat betekent niet dat hij geen blinde vlekken had. Hij had zijn trauma’s, maakte fouten en ontwikkelde verslavingen. Hij heeft hier en daar schade aangericht. Maar tegelijkertijd was zijn hele leven één grote en meeslepende poging om deze cultuur van ontwaken te kweken en te voeden, voor het welzijn van alle levende wezens.
Hetzelfde geldt voor Taizan Maezumi Roshi. Ook hij maakte fouten en ook hij had zijn blinde vlekken. Maar tegelijkertijd schijnt door alles een helder licht van compassie en passie voor het bevorderen van die cultuur van ontwaken. Door alles heen straalt de oorspronkelijke intentie. De intentie om goed te doen, om het goede te doen voor anderen.


Two people are preparing to receive Jukai (which will take place in the August sesshin in Holten) and so I am preparing for it as well. Just recently I was rereading Chögyam Trungpa Rinpoche’s book “The Path is the Goal.” He writes about working with the six Paramitas, the six Perfections or rather Cultivations, that are intimately connected with the sixteen precepts of Jukai. At the heart of all this lies a fundamental question: How do I want to live? How do I want to find peace within myself and how can I live in peace with the world around me? Working with the sixteen precepts is of such importance that Eihei Dogen writes that these precepts are “The single most important matter of our school.”
But if we were to use these precepts as strict commandments and restrictions, something is going wrong. If we see them like that, there’s a good chance we will just get more and more caught up in inner and external judgements and condemnations. And those will lead to just more internal and external conflicts and a deepening gap between ourselves and the world around us as well as between ourselves and our self.
Sometimes I wonder why our ideas about morality (the Paramita of Sila) are so often strongly set in black and white. It’s right or it’s wrong, good or bad. We have strong opinions (we often call them convictions) and sometimes I get the feeling that morality seems to be about expressing those opinions with force and to stick to them. Perhaps this is because otherwise we are afraid to get confused. Or worse: To get it WRONG, to make MISTAKES.
Question is; is the world a better place, and would we be better human beings, if everything is always clear and sharply divisible in right and wrong, good and bad, without any space for ambivalence and doubt? How much space would we have then? How much compassion and humaneness would remain?
Taizan Maezumi Roshi is very often quoted saying: “Practice is about closing the gap between yourself and your self” (which you can put in writing in different ways; a space can make a difference, although perhaps in this case it makes no difference at all).
How much space do we need to close the gap between ourselves and our self? One could argue that this is a weird question. Leaving no gap between myself and my self, requires such proximity that there cannot be any space left. But perhaps bridging the abyss that the mind imagines between myself and my self is easiest when we enter the vast spaciousness of our heart, in which self and self are seamlessly one and at the same time meet. Could anything be more intimate?
Perhaps morality can also be interpreted as cultivating a culture of awakening. The cultivation of an attitude, a way of living that essentially wishes to develop and promote awakening within and around ourselves. A culture that involves us in helping everyone on the path. A culture of trying to be open and attentive, present and available, here, now.
Chögyam Trungpa tried and he did more than most. That doesn’t mean he had no blind spots. He had his traumas, made mistakes, developed addictions. He did some damage here and there. But at the same time his entire life was one hugely spirited attempt to create, feed, promote and cultivate this culture of awakening, devoted to the well-being of all beings.
The same is true for Taizan Maezumi Roshi. He too made mistakes. He too had his faults and his blind spots. But through it all, there shines this clear light of compassion and passion to promote the culture of awakening. Through it all there is the radiance of the original intention. The intention to do good. To do good for others.

Lezen met je hart / Reading with your heart

For the English version scroll down.

Tijdens de december sesshin lazen we het gedicht “A Meadow” van Czesław Miłosz (1). En ook de eerste regels van zijn gedicht “Love” (uit het drieluik “Faith, Hope, Love”). Ik laat ze beiden hieronder eerst voor zichzelf spreken.

A Meadow

It was a riverside meadow, lush, from before the hay harvest,
On an immaculate day in the sun of June.
I searched for it, found it, recognized it.
Grasses and flowers grew there, familiar in my childhood.
With half-closed eyelids I absorbed luminescence.
And the scent garnered me, all knowing ceased.
Suddenly I felt I was disappearing and weeping with joy.

Love

Love means to learn to look at yourself
The way one looks at unfamiliar things
Because you are only one of many things.

And someone who can look that way at himself
Will heal his heart of many troubles,
Perhaps without knowing he has done it.
The Bird and Tree say to him, “Friend.”

And then he’ll want to use himself and things
In such a way that each one glows, fulfilled.
And if sometimes he finds he doesn’t understand,
It doesn’t matter. His task is just to serve.

Je kunt een gedicht op verschillende manieren lezen, maar mijn uitnodiging is om dit met je hart te lezen. Om het te léven. Om net als Miłosz één te worden met de weide, de zon. Om het licht te absorberen en alle weten en begrijpen voor even te laten varen.

De Shakyamuni Boeddha zegt in de Bahiya Sutta (2) tegen de zwervende kluizenaar Bahiya:
“Als […] in wat gezien wordt alleen wat gezien wordt is, en in wat gehoord wordt alleen wat gehoord wordt […] dan zal je daar niet ‘bij zijn.’ Als je er niet ‘bij bent,’ dan zal je er niet ‘in zijn.’ Als je er niet ‘in bent’ zal je noch hier noch daar noch ergens tussen in zijn. Enkel dit is het einde van lijden.”

Als we ervaren in het hart; zonder afstand, zonder identificatie, en nergens er tussen in; zonder plek, zonder een standpunt, “the way one looks at unfamiliar things,” dan blijkt het hart onmetelijk en onbepaalbaar te zijn, zonder begin en zonder einde. Hoe groot is dit hart? Mijn hart, jouw hart, de ruimtelijkheid die we binnenin kunnen voelen. Wat kan het omvatten? Al die gedachten, al die gevoelens en nog zo veel meer! Al die verbindingen, bronnen en oorzaken en alles wat voortvloeit! Het is onbegrijpelijk en tegelijkertijd is het thuis.

“I searched for it, found it, recognized it.” Wat zocht hij? Wat vond hij, herontdekte en herkende hij? Er valt iets te zoeken, te vinden, te herontdekken en te herkennen. Hou nooit op met zoeken. Zelfs als je denkt dat je het nooit zult vinden. Zelfs als je gelooft dat je het gevonden hebt. Onderzoek.

(1) Czesław Miłosz was een Poolse dichter die een groot deel van zijn leven in Frankrijk en de VS leefde en die in 1980 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg.
(2) De Bahiya Sutta: About Bahiya (Ud 1.10). Uit: The Udana & The Itivuttaka. Vertaald uit het Pali door John D. Ireland (1997


During the December sesshin we read a poem by Czesław Miłosz (1) called “A Meadow”. And also part of his poem “Love” (from the triptych “Faith, Hope, Love”). First, I will let them speak for themselves:

A Meadow

It was a riverside meadow, lush, from before the hay harvest,
On an immaculate day in the sun of June.
I searched for it, found it, recognized it.
Grasses and flowers grew there, familiar in my childhood.
With half-closed eyelids I absorbed luminescence.
And the scent garnered me, all knowing ceased.
Suddenly I felt I was disappearing and weeping with joy.

Love

Love means to learn to look at yourself
The way one looks at unfamiliar things
Because you are only one of many things.

And someone who can look that way at himself
Will heal his heart of many troubles,
Perhaps without knowing he has done it.
Then Bird and Tree say to him, “Friend.”

And then he’ll want to use himself and things
In such a way that each one glows, fulfilled.
And if sometimes he finds he doesn’t understand,
It doesn’t matter. His task is just to serve.
You can read a poem in different ways but I want to invite you to read these with your heart. To live them. To do as Miłosz did and become one with the meadow, the sun. To absorb the light and to let go for once of knowing and understanding.

In the Bahiya Sutta (2), the Shakyamuni Buddha says to the wandering hermit Bahiya:
“When […] in the seen there is merely what is seen and in the heard merely what is heard […] then you will not be ‘with that.’ When you are not ‘with that,’ then you will not be ‘in that.’ When you are not ‘in that,’ then you will be neither here nor beyond nor in between the two. Just this is the end of suffering.”

When we experience in the heart; without separation, without identification, and not anywhere in between; without a place, without a view point, “the way one looks at unfamiliar things,” then the heart turns out to be without measure and without definition, without beginning, without end. How big is this heart? My heart, your heart, the spaciousness that we can experience within? What can it encompass? All those thoughts, all those feelings, and so much more! All those connections and sources and causes and everything that gushes forth. It is beyond comprehension and at the same time it is home.

“I searched for it, found it, recognized it.” What was he looking for? What did he find, rediscover and recognize? There is something to search for, to find, to recognize. Never stop searching for it. Even if you believe you will never find it. Even if you believe you have found it. Investigate.

(1) Czesław Miłosz was a Polish Poet who spent a large part of his life in France and the US and who received the Nobel prize for literature in 1980.
(2) The Bahiya Sutta: About Bahiya (Ud 1.10). From: The Udana & The Itivuttaka. Translated from Pali by John D. Ireland (1997)

Vijf willekeurige “leefregels” voor een (iets) gelukkiger leven

Kort geleden schreef ik voor een Amsterdams lifestyle blog een stukje op verzoek. De vraag was of ik een bijdrage wilde schrijven als onderdeel van een serie “Vijf regels voor een gelukkiger leven”. Ik wilde het ook met jullie delen, dus het stukje volgt hieronder.

Vijf “regels” voor een gelukkiger leven.

1. Ontspan jezelf en vooral je brein
Ontspannen leven is natuurlijk heel belangrijk, maar vaak nog niet zo eenvoudig. Regelmatig mediteren is gelukkig een geweldig hulpmiddel. Ga rustig zitten op de bank of een stoel of meditatiekussen. Richt je aandacht op je ademhaling. Laat gewoon opkomen aan gedachten wat er maar opkomt en laat die gedachten ook gewoon weer gaan. Je gedachten zijn net als de vogels in de lucht. Die komen en gaan, zonder dat de blauwe lucht er moeite voor moet doen. En de blauwe lucht zegt niet tegen de vogels: “Ga weg, jullie zijn irritant”, en ook niet: “O, ga niet weg, ik vind jullie zo belangrijk”. Laat de stroom van je gedachten gewoon gaan en ontspan je brein. Doe het iedere dag al is het maar tien minuten. Vraag jezelf: Wie kijkt? Wie ervaart? Wie is bewust? Dan zou de ruimte in jou even oneindig kunnen blijken als de blauwe lucht.

2. Neem het leven serieus en jezelf niet zó.
Het leven is een heel serieus toneelstuk maar onze eigen rol hoeven we niet zo serieus te nemen. Lach vaak om jezelf. Alles gaat voorbij, alles verandert en alles wat nu zo urgent en belangrijk lijkt, is dat over een tijdje niet meer. Zorg natuurlijk goed voor jezelf (eet gezond!) maar zorg vooral ook goed voor de mensen, dieren en dingen om je heen. Het geluk van je kinderen, je partner, je familie, je vrienden, je collega’s en van die dakloze op straat en de koeien in de wei, neem dat héél serieus. Ontvangen van geluk vind je uiteindelijk alleen in het geven ervan.

3. Probeer steeds vriendelijk te zijn (verruim je hart en je wereld)
Plato zei ooit: “Iedereen die je ontmoet gaat door zijn of haar eigen worstelingen en lijden, waarvan jij niets af weet. Dus wees altijd vriendelijk.” De ontwikkeling van mededogen en liefdevolle aandacht is de kern van ons leven en van alle vormen van spiritualiteit. Het gaat om het ontwikkelen van openheid en warmte. Het opent ons hart wanneer we ons er van bewust worden dat we niet de enigen zijn die het soms moeilijk hebben, dat iedereen zijn/haar eigen pijn kent en dat we allemaal kwetsbaar zijn. Kwetsbaarheid blijkt onze enige echte kracht te zijn. Het beoefenen van eenvoudige vriendelijkheid doet wonderen voor jezelf en de wereld om je heen.

4. Hou het simpel
Versimpel je leven zoveel als je kan. Ons dagelijkse westerse leven lijkt zo hectisch en gecompliceerd. We hebben last van stress, werkstress, keuzestress, enzovoorts. Moeten we alles kunnen en willen? Mogen we echt niets missen? Mogen we echt nooit falen? Hoe waanzinnig mooi is de bloeiende kersenboom in mijn straat? En die wandelende vrouw met kinderwagen? Hoe moedig en groots is het leven en werken van de onderhoudsmonteur en de caissière in de supermarkt? De wonderen gebeuren eenvoudig om ons heen en het grootste wonder ben jezelf. Het hoeft niet ingewikkelder dan eenvoudig.

5. Leef je eigen “regels” maar hèb geen regels (dus ook niet deze regels)
Discipline is belangrijk, maar de discipline van dwang (“Ik zou meer zelfdiscipline moeten hebben”) werkt doorgaans volkomen averechts. Oefen geen dwang uit op jezelf. Vertrouw op je eigen diepste wensen. Als we diep zoeken in onszelf willen we uiteindelijk het beste voor iedereen, dus stel jezelf de vraag: “Hoe wil ik leven?” Onderzoek dat steeds open en eerlijk (en met discipline) en volg wat die vraag in je opent. Vertrouw je hart. Ik vertrouw jouw hart volkomen.

Na de verkiezingen…. After the elections

The voices that have the courage to express compassion, empathy, human kindness, oneness; they become ever more important. While we seem to listen more and more to the voices of anxiety, fear and division, and seek safety in the illusionary power of anger and hatred, we separate our world into “us and them”, “friend and enemy”, “my kind and the others”, “winners and losers”.
But we can try to heal, to bridge the gap. Make yourself heard and express loving kindness and compassion. Act with loving kindness, compassion and dignity. Treat all beings with loving kindness, compassion and dignity. Do it where you are. In your family, in your house, in your street, your neigbourhood, your town, your country. Do it now and keep doing it. Make a difference.

De stemmen van hen die durven te spreken in termen van mededogen, empathie, liefdevolle vriendelijkheid; die worden met de dag belangrijker. Terwijl het er op lijkt dat we steeds vaker luisteren naar de stemmen die spreken vanuit angst, vrees en verdeeldheid, en terwijl we veiligheid zoeken in de denkbeeldige macht van woede en haat, verdelen we de wereld in “wij en zij”, “vriend en vijand”, “ons soort en die anderen”, “winnaars en verliezers”.
Maar we kunnen pogen om te helen, om de kloof te overbruggen. Zorg ervoor dat je stem gehoord wordt en spreek in liefdevolle vriendelijkheid en mededogen. Handel vanuit liefdevolle vriendelijkheid en mededogen en waardigheid. Behandel iedereen met liefdevolle vriendelijkheid, mededogen en waardigheid. Doe het waar je bent. In je gezin, je huis, je straat, je buurt, je stad, je land. Doe het nu en blijf het doen. Wees het verschil.

Wat ik allemaal niet weet

Er is heel veel wat ik niet weet en het wordt alsmaar meer. Om maar bij het begin te beginnen: Ik weet niet wie ik ben. Dat was een van de eerste, belangrijkste en destijds heel verwarrende en beangstigende ervaringen op mijn pad. Toen ik een jaar of acht was stond ik op een morgen voor de spiegel en keek naar wat ik daarin zag. Het gezicht dat terug keek was voor dat moment volkomen onherkenbaar. Ik had geen idee wie mij vanuit die spiegel aankeek en daar ben ik weken en maanden van in stilte gebleven. Een bange stilte, omdat ik dacht dat ik behoorlijk mesjokke aan het worden was. Maar het was ook een heel verruimende ervaring. Want korte tijd later realiseerde ik me dat mijn vader en moeder (waarvan ik tot dan toe had gedacht dat die eigenlijk àlles wisten) in werkelijk ook niet wisten wie ik was. En nog weer later realiseerde ik me, dat ze ook niet wisten wie ze zelf waren. Dat luchtte op. Heel wat navelstaren en doortherapeuteren hield daarmee op. Daarmee wil ik niet zeggen dat therapie niet belangrijk is. In tegendeel, dat is tering belangrijk. Maar het helpt enorm als je weet dat er geen grens is aan wie je bent zodat je niet consistent hoeft te wezen en jezelf telkens opnieuw kan verrassen. Ik ben altijd groter, ruimer, dan ik denk. Dat zijn die momenten waarop ik kan kijken naar willekeurig wie ook en weet, “Hé, die ben ik ook. Hé, jou ben ik ook.” Zonder dat dat betekent dat ik jou ken! Niet weten wie ik ben en weten dat ik alles ben. Heel bijzonder. En dat geldt voor iedereen. Dus nu ook weer niet zó fucking bijzonder.

Aan Plato wordt de volgende uitspraak toegeschreven: “Iedereen die je ontmoet, gaat door strijd en worsteling waarvan je niets, maar dan ook niets af weet. Wees liefdevol en vriendelijk. Altijd!”

Dat betekent praktisch gezien bijvoorbeeld dat als iemand iets tegen me zegt in irritatie of boosheid, dat dus nagenoeg nooit iets met MIJ te maken heeft. Is degene die boos naar MIJ gebaart op de weg nu werkelijk boos op MIJ, zodat IK maar weer gekwetst, beledigd en boos reageer en kies voor reactiviteit? Of is hij boos op zichzelf, zijn vrouw, zijn baas, de wereld in het algemeen? Geen idee. Dus zoals we dan in Den Haag tegen onszelf zeggen: “Ruuustâch!” Dan kan ik responsief in plaats van reactief zijn en dat is altijd vol mededogen en begrip.
Extrapoleer dat even naar de toestand in de wereld. Wat zou er gebeuren als iedere politicus, militair of geestelijk leider iedere dag bij iedere bedreiging, iedere belediging, iedere uiting van haat en razernij, eerst tien keer tegen zichzelf zou zeggen: “Ruuustâch!” en er responsief in plaats van reactief mee zou proberen om te gaan?

Eén aspect van niet weten wil ik nog noemen, want dat komt bij het schrijven van dit stukje sterk op. Er zijn dingen die ik niet weet omdat het voor mij verborgen gehouden wordt. Er zijn gezichten die we nooit zien op facebook. Mensen waarvan we niet weten wat ze doen en vaak ook niet waar ze uithangen. Er zijn mensen die voor ons risico’s nemen en bewust levens leiden in de schaduw. Is dat goed? Is wat ze doen verantwoord? Past het in de morele keuzes die ik voor mezelf geldig heb gemaakt? Ik zou daar van alles over over kunnen vinden en zooien mening kunnen hebben. Maar in feite weet ik het niet. Ik weet wel dat ik ze voor hun enorme moed en de moeilijke keuzes die ze maken, heel dankbaar ben. Omdat ik weet dat ze dat doen vanuit het praktisch mededogen in hun hart.

Het komt goed!

Pas geleden sprak ik met iemand over de 14e eeuw. We kwamen er op vanwege een citaat van Julian of Norwich. Julian of Norwich was een 14e eeuwse Engelse mystica, een kluizenares over wie maar weinig bekend is, maar die een prachtige tekst heeft nagelaten (Revelations of Divine Love). Jaren geleden ontdekte ik die tekst dankzij een citaat dat Roshi wel eens aanhaalde. Het citaat was dit: “All shall be well, and all shall be well, and all manner of things shall be well”.

Voor Julian of Norwich was dit gebaseerd in een diep geloof in de goedheid, de liefdevolheid van God. En daarmee was de goede afloop van alles en alles verzekerd en vanzelfsprekend. Daar had ze kennelijk een volkomen vertrouwen in.

Maar als ik vandaag naar het nieuws kijk is het op eerste gezicht lastig om vertrouwen te vinden. Ik lees het weekoverzicht van de NOS en zie catastrofale bosbranden in Canada, droogte en honger in Afrika, de zoveelste groepsverkrachting in Pakistan, een volkomen cynisch bombardement op een ziekenhuis in Syrië, en nog steeds een groot aantal wanhopige vluchtelingen die vast zitten in het niemandsland in onze harten. Bij de uitreiking van de Karel de Grote-prijs vroeg Paus Fransiscus zich deze week publiekelijk af wat er in Godsnaam gebeurd is met Europa. Hoe is dat niemandsland in ons hart ontstaan. Wanneer zijn we zo bang en klein geworden?

Je zou kunnen denken dat Julian of Norwich in een makkelijker tijd leefde dat ze zo vol vertrouwen kon zeggen dat alles goed zou komen. Maar dat valt bij nader inzien behoorlijk tegen! Ik las ooit “A Distant Mirror: The Calamitous Fourteenth Century” van Barbara Tuchman. Zij beschreef daarin het rampzalige verloop van de 14e eeuw aan de hand van het leven van een Franse edelman. Als ik met behulp van haar boek de 21e eeuw vergelijk met de 14e blijken we het vandaag de dag vrij goed te hebben. Tijdens de 14e eeuw werd de 100 jarige oorlog uitgevochten, een bloedig en eindeloos conflict tussen Engeland en Frankrijk, en verloor Europa ongeveer de helft van haar bevolking aan oorlog, honger, geweld en vooral aan de verschillende uitbraken van de pest, de zwarte dood, die in golven door de wereld trok. Alleen al in de vier jaren tussen 1347 en 1350 stierf in Frankrijk en Spanje driekwart van de bevolking, met name aan die ziekte, en in Duitsland en Engeland ongeveer een derde. Julian of Norwich was toen ongeveer tien jaar oud. In de decennia daarna bleef de ziekte telkens weer terug komen en de kans is groot dat zij zoals zovelen een kluizenaarster werd omdat uiteindelijk haar hele familie was omgekomen. Het zou meer dan twee honderd jaar duren voor dat Europa qua bevolking zich hersteld zou hebben van die slagen.

Kunnen we ons dat voorstellen? Wonen in een stad, in een land, waar in de loop van vier jaar een derde van je familie, je buren, je vrienden, je kennissen, sterft aan oorlog, honger, armoede en een bizarre en onbekende ziekte? Eén op de drie! Hoe kon ze zeggen: “All shall be well?”

Waar vind ik het geloof van Julian of Norwich? En vooral, waar geloof ik dan in? Kan ik geloven in wat we in het boeddhisme Fundamentele Goedheid noemen? In datgene wat ongefabriceerd, ongekunsteld, aanwezig is in mijn hart en wat tegelijkertijd mijn hart draagt? In dat wat ik niet kan uitleggen, niet kan aanduiden en dat zich nergens door laat beperken? In mijn directe “zoheid”, die niets anders wil dan het welzijn van ieder, en die zich nooit laat ontmoedigen en die rust in een grenzeloos en ongefundeerd vertrouwen.

Ik kan dat niet vinden in iets dat buiten mij, los van mij staat, maar wel in mezelf. In feite vind ik het niet, ik vind het terug, ik herinner het me, want het was er en is er altijd. En wanneer ik me dat herinner, vind ik dat tegelijkertijd onbegrensd in jou en in iedereen.
Het komt goed! Natuurlijk komt het goed!

Parijs – Den Haag – Varanasi

Tussen Parijs en Den Haag in de Thalys, las ik in “A Year to Live” van Stephen Levine, het boek dat we momenteel in de studiegroep behandelen. Eén van de gedachten die opkwamen was deze. Van hoeveel mensen heb ik inmiddels afscheid genomen?
Ik herinner me de dood van mijn vader, de langzame verstilling van zijn laatste uren, en van mijn moeder die wachtte tot ze alleen was in haar bed. Ik herinner me Peter van der Steen, mijn beste vriend van lang geleden, toen ik als dienstweigeraar gastlessen maatschappijleer gaf op middelbare scholen en die precies begreep hoe kwetsbaar ik in werkelijkheid was. Hij kwam op 26 jarige leeftijd om bij een auto-ongeluk in Spanje en liet een enorme leegte in me achter. Ik denk aan mijn nichtje, het dochtertje van mijn moeder’s broer die verdronk in zee bij Zandvoort. Ik was zo ongeveer zeven toen dat gebeurde. Ik denk aan Helen’s ouders, die beiden vreedzaam gingen na lange en liefdevolle levens. Aan hoe Helen’s vader naar de wolken keek en zei: “Straks zal ik dat niet meer kunnen zien.” Ik denk aan Helen’s zus Mariëlle die omkwam bij een ongeval bij het paardrijden. Ik denk aan ooms (Hans Pelder, Gerrit Oltheten, die beiden belangrijker voor mij waren dan ze zelf vermoedden). Ik denk aan mijn sangha-zussen en -broers, Peggy, Henri, Frits. Ik denk aan Malgosia en Maezumi Roshi. De invloed van deze laatste in mijn leven is enorm en ik heb hem nooit ontmoet.
Waar eindigt deze opsomming? Het omvat namelijk ook ontelbaar velen die belangrijk waren en wier invloed nog voelbaar is, zonder dat ik hun namen ken. Het omvat alles en iedereen. Zóveel, gezichten, zóveel namen, zóveel levens. Talloos, zonder einde, onbeperkt. Dichtbij, veraf, vandaag, gisteren, eeuwen geleden. Alles is vader en moeder voor me. Dat is zo duidelijk nu.
Ik voel verlies en vooral dankbaarheid. Dankbaarheid en ook verlies. Het is als een explosie en een implosie. Ik ben al deze levens. Al deze levens ben ik.

Eén beeld komt de laatste weken sterk en vaak langs in me, en dat is het beeld van een brandstapel in Varanasi aan de oever van de Ganges, op de Manikarnika Ghat. Het was de crematie van een man wiens hoofd onbedekt was. Een grijze baard. Net als de mijne. Iemand vertelde me dat hij een goed leven moet hebben geleid en een goede dood moet zijn gestorven om met onbedekt gezicht gecremeerd te worden. Hij is zo dichtbij.
Een paar weken geleden schreef ik dit voor hem en mij.

Know, that when I died
I died content
My life has been well spent
Given freely
And wholeheartedly received
None of it was mine
And all of it exactly me.

I have loved
And have been loved
And now return to love
That which I truly am
Silent Boundless Here
And yet still nearer than before
So as this burns just know
That I expand to love you more

No time to lose!

Een van de meest ontroerende teksten uit de Pali canon vind ik de Bahiya Sutta, het verhaal van de bedelmonnik Bahiya, die ten tijde van de Boeddha ergens aan de golf van Bengalen woonde en misschien vaag ooit iets over hem had gehoord. Volgens het verhaal (en ik vraag bij voorbaat maar om vergeving voor mijn wel heel losse vertaling/hertaling) wordt Bahiya op zeker moment overvallen door grote twijfel en hij vraagt zich af: “Wat ben ik aan het doen? Is de manier waarop ik mijn leven leid wel oké? Ben ik niet verkeerd bezig?” Ergens uit de diepte van zijn intuïtie (volgens de sutta wordt hij bezocht door een devata, een soort geestverschijning) welt er een gedachte in hem op die zegt: “Zoek hulp, onderzoek je vraag met behulp van iemand die je een eindje vooruit is”. En zo gaat Bahiya op reis, op zoek naar de Boeddha, wiens naam hem, volgens de sutta, door de devata is ingefluisterd, of (meer mijn versie) die zomaar uit zijn geheugen opkomt, onder invloed van zijn diepe wens om verder te groeien, om meer helderheid te ontwikkelen. Hij voelt de urgentie ervan en dus gaat hij zonder verder tijd te verspillen op weg en dat inspireert me. Ik herken Bahiya’s wens en zijn honger. Ik voel de urgentie die er in zijn verhaal zit. Dit zijn mijn (onze?) vragen ook. Wat willen we weten? Hoe kan ik intenser leven? Is wat ik zie en hoor en voel en vind, reëel? Zijn mijn waarnemingen, mijn meningen en ideeën juist? En waarom heb ik het dan zo vaak mis? Waar baseer ik me op? Waar komen mijn zorgen, mijn onzekerheden, mijn verlangens vandaan? Wie ben ik nou echt, wie ben ik werkelijk? Ik wil weten hoe de wereld en mijn leven in elkaar steken en in elkaar passen. Ik wil weten waarom er zoveel lijden bestaat in de wereld om me heen.
Ik bewonder Bahiya’s moed, zijn bereidheid om zijn redelijk veilige leven ondersteboven te gooien en alles op het spel te zetten. Onze tijd van leven is niet onbeperkt!

Als hij uiteindelijk de Boeddha ontmoet vraagt hij heel nadrukkelijk om raad, om onderricht.
En als de Boeddha antwoordt dat hij jammer genoeg net op het verkeerde moment komt en dat hij later maar even terug moet komen, antwoordt Bahiya: “Ik weet niet hoe lang ik nog te leven heb. Ik weet niet welke gevaren op uw pad liggen. Onderwijs me alstublieft nu.” Misschien voorvoelde Bahiya dat hij niet lang meer te leven had. Onder de indruk van die urgentie maakt de Boeddha tijd voor Bahiya en zegt:

Zo Bahiya, zou je jezelf moeten oefenen: “Laat in wat gezien wordt alleen dat wat gezien wordt aanwezig zijn. Laat in wat gehoord wordt, alleen dat wat gehoord wordt aanwezig zijn. Laat in wat gevoeld wordt alleen dat wat gevoeld wordt aanwezig zijn. En in wat zich aandient in je bewustzijn, laat alleen dat wat zich in je bewustzijn aandient aanwezig zijn. Zó zou je beoefening zich moeten ontwikkelen Bahiya. Want als er in wat je ziet alleen het geziene aanwezig is en in wat je hoort alleen het gehoorde, en in wat je voelt alleen het gevoelde en in wat zich aandient in je bewustzijn alleen dat wat je je bewust bent, dan Bahiya zal jij daar niet “bij” zijn en als jij daar niet “bij” bent, ben jij er niet “in”. Dan Bahiya ben je noch hier, noch daar noch er tussen in. Alleen dit. Zó ga je om met het lijden.”

Daarna loopt de Boeddha verder. Bahiya laat de woorden van de Boeddha op zich inwerken. Diezelfde middag komt hij om, als hij aangevallen wordt door een wilde buffel, die haar jong beschermen wil.

De tekst geeft ons in al zijn scherpte en kortheid een heel heldere beschrijving van de oorzaak van onze worstelingen en stress en een even heldere uitweg. Hoeveel “verhaal”, hoeveel IK, koppel ik aan wat ik zie, hoor, voel en weet? Hoe vaak bouw ik een eenvoudige waarneming om en uit tot een drama, mijn drama? Hoe vaak voel ik me ongerust of gekwetst? Hie vaak laat ik me meesleuren door emoties, mijn emoties? Hoe vaak en veel projecteer ik op anderen in mijn omgeving? Hoe vaak komt in mijn onderbewustzijn de vraag op: “Wat zou hij, zij, wat zouden zij van me vinden?” Hoe vaak verkondig ik mijn zekerheden, zelfvertrouwen, overtuigingen en meningen zonder ook maar iets zeker te weten? Hoe verslaafd ben ik aan Mijn Kennis, Mijn Overtuigingen, Mijn Opinies, Mijn Stelligheden? Hoe zou het zijn als ik daar mee op zou houden? Hoe vrij zou het zijn als ik op zou houden alles op te sieren met Ik, Mijn, en Zelf, “Me Eige”, zoals we in Den Haag zeggen?

In wat ik zie alleen dat! In wat ik hoor enkel en alleen dat! In wat ik voel alleen dat en niets er bovenop. In wat ik me bewust ben alleen bewustzijn zonder projecties en zonder dramatiek. Geen Ik als waarnemer (er “bij” zijn) met alle bijbehorende meningen, oordelen, overtuigingen, verlangens en onmacht. En ook geen identificatie (er “in” zijn), met bijbehorende projecties, verstarring en verlies aan eigenheid, waarachtigheid en authenticiteit. Noch hier, noch daar, noch er tussen in. Ongefixeerd. Vrij om te bewegen, om de dingen eenvoudig te houden. No story. No lack of story. No bullshit.

Ma

Deze maand is het zeven jaar geleden dat mijn moeder overleed. Ze was 92 jaar en aan het einde van haar leven volslagen blind en hulpbehoevend. Ze was ook met regelmaat boos in haar laatste jaren. Boos dat het leven haar zo lang vast hield. Boos ook denk ik, op haar eigen tegenstrijdigheden. Enerzijds gaf ze vaak aan dat het genoeg was en dat ze uit het leven wilde. En anderzijds liet ze vaak blijken hoe sterk haar wil tot leven was. Ik herinner me nog goed dat we het op een middag hadden over versterven (ophouden met eten en drinken) als een manier om het heft in haar eigen handen te nemen. Ze overwoog de voors en tegens en tenslotte zei ze dat ze dat niet wilde want zo genoot nog zo vaak van sommige dingen (beschuitjes met aardbeien en witte suiker bijvoorbeeld). De tegenstrijdigheden in haar gevoelens vond ze overigens volkomen normaal. Daar konden we samen dan smakelijk om lachen en dan trok ik maar een mini-flesje witte wijn open (ook een van haar genietingen).

rietjeoltheten_medium

Mijn moeder kon in haar laatste jaren ook naar het nieuws luisteren en dan gepassioneerd mopperen dat er zo veel problemen in de wereld waren en dat alles zo veel gevaarlijker was geworden voor haar kinderen en kleinkinderen. Dan negeerde ze maar even dat ze zelf midden in de eerste wereldoorlog was geboren, was opgegroeid in de crisis van de jaren dertig en haar eerste kind kreeg in de hongerwinter. Mijn moeder hield wel van “catastroferen” en eerlijk gezegd kan ik dat eigenlijk ook best goed. Ik heb zo mijn eigen varianten daarin, maar als ik ga piekeren over die dingen waarover ik kan piekeren, dan blijkt soms dat ik het piekeren nog geenszins verleerd ben. Wat mij helpt op die momenten is om terug keren naar aanwezig zijn in nu. In eerste instantie betekent dat vooral, dat ik niet probeer om een oplossing te vinden, maar eenvoudigweg blijf bij de constatering: “ik ben bang,” zonder dat ik moet gaan zorgen dat het gevoel weg gaat, opgelost raakt, of dat het bange IK “getransendeerd” raakt. Juist voor zen-beoefenaren is dat vaak heel belangrijk. Het bange IK hoeft niet weg. Daar wordt het IK alleen maar banger van namelijk. Het gaat er om, minder geïdentificeerd te zijn met dat IK, dat zo bang is en ook zo alleen is in zijn gepieker.

Een poosje geleden lag ik midden in de nacht wakker. Er was iets waarover ik me zorgen maakte. Om een uur of drie in de nacht sloop ik mijn bed uit, ging beneden in de woonkamer in een stoel zitten en zei tegen mezelf: “Ik ben bang.” Kijkend uit het raam zag ik dat er aan de overkant een woonkamerraam verlicht was. En een eindje verderop ook een zolderraam. Er was een voelbare expansie in me. Zou het kunnen dat daar achter die ramen ook mensen zaten die niet konden slapen? Zouden er meer mensen in de stad, in het land, in de wereld zijn die bang waren en daar niet van konden slapen? In de ruimere stilte in me welde spontaan voor alle mensen die wakker lagen die nacht op: “May your life go well.” Toevalligerwijze is dat in de christelijke traditie de toevoeging aan “Eert uw vader en uw moeder”. De tekst zoals ik hem ken luidt: “Honour your father and mother, so that your life may go well.” Natuurlijk is die eer, die dankbaarheid, niet alleen bedoeld voor mijn fysieke ouders, maar voor alles en iedereen, alle mensen, alle wezens, alles in het universum, want dat alles is vader en moeder voor me. Die ruime stilte in me is bron van dankbaarheid voor alles wat mijn vader en moeder is en daarin is een warme warme plek ingeruimd voor mijn eigen moeder. Vandaag gedenk ik in diepe dankbaarheid Rietje Oltheten-Gianotten, 15 juni 1916 – 20 april 2009.