Linji Yixuan

Tijdens de afgelopen december-sesshin hebben we het in de dharma-gesprekken gehad over het leven en de beoefening van Linji Yixuan (Rinzai Gigen in het Japans). Daarbij heb ik vooral gebruik gemaakt van de vertaling van de Linji-yulu (the record of Linji) van Irmgard Schloegl (https://en.wikipedia.org/wiki/Myokyo-ni), leerling en opvolger van Sōkō Morinaga Rōshi.
Eén van de koan die we hebben gebruikt in de retraite was koan 34 van de Linji-yulu waarin Linji commentaar geeft op koan 9 van de Mumonkan over de Daitsû Chishô Boeddha. De koan zelf gaat als volgt:

Mumonkan Koan 9 Daitsû Chishô
Eens vroeg een monnik aan meester Jô van Kôyô: “Daitsû Chishô Boeddha, de Boeddha van Uiterste Doordringing en Alles Overstijgende Wijsheid, zat in de meditatiezaal voor een periode van tien kalpas, maar de Dharma van de Boeddha werd niet onthuld en hij bereikte geen ontwaakte staat van Boeddha-zijn. Waarom was dat zo?”
Jô antwoordde: “Je vraag is werkelijk schitterend.”
De monnik zei: “Hij zat in zazen in de meditatie zaal. Waarom bereikte hij de Boeddha- staat niet?”
Jô antwoordde: “Omdat hij een Boeddha is die de Boeddha-staat niet bereikte.”

Een Kalpa is de tijdspanne die een engel nodig heeft om een hoge berg tot gruis te vermalen door één keer per honderd jaar met zijn vleugel één keer over de top van de berg te strijken. Met andere woorden: waanzinnig LANG! Dit is ook een poëtische manier om te zeggen de de Daitsû Chishô Boeddha in alle eeuwigheid de Boeddha-staat niet kán bereiken. En de vraag is waarom?
Linji beantwoord de vraag rechtstreeks en punt voor punt. Hij zegt:

“Uiterste doordringing” is jouw eigen inzicht dat van de talloze dingen, waar dan ook, geen enkele een eigen staat van bestaan heeft en dat geen enkel ding een los-van-al-het- andere-staande vorm heeft. Dit wordt “Uiterste (wederzijdse) doordringing” genoemd.
“Overstijgende wijsheid” is om niet meer te twijfelen, want er is niets, helemaal niets, dat bereikt kan worden. Dit wordt “Overstijgende wijsheid” genoemd.
Boeddha is de hart-geest in al haar zuiverheid. Haar stralende zijn, alles doordringend en met alle dingen en vormen intens en volkomen wederzijds verbonden, wordt Boeddha- worden genoemd.
Tien kalpas lang mediteren wijst naar de eindeloze perfectionering van beoefening van de Perfecties (de Paramitas).
“De Dharma van de Boeddha werd niet onthuld” wil zeggen dat Boeddha van oorsprong geen oorsprong heeft (ongeboren is) en de Dharma van oorsprong af onvernietigbaar en zonder einde is. Hoe zou het zichzelf dan kunnen onthullen?
“Bereikte geen staat van ontwaken” betekent dat Boeddha niet Boeddha hoeft te worden. Een oude meester zei: “De Boeddha is altijd aanwezig in de wereld maar wordt niet gebonden door de dingen van de wereld.”

Tot zover Linji.
Deze koan is zó fundamenteel voor onze beoefening en vooral ook voor de intenties waarmee de onze beoefening aangaan. Natuurlijk beginnen we allemaal met allerlei doelen en goede voornemens (dat hoort ook bij het einde van het jaar) om onszelf te helen, om onze patronen te doorgronden en te veranderen. Om gelukkiger, meer ontspannen, ruimer, warmer, liefdevoller en compassievoller te leven. Om minder vaak en minder intens bang en boos te zijn, en om te kunnen leven met minder hebzucht en egoïsme.
Dat is wat we willen en daar is natuurlijk niets mis mee. Maar als we daaraan beginnen, starten we vaak vanuit een diep geworteld zelfbeeld dat eigenlijk voortdurend kritisch in ons oor fluistert: “Je bent incompleet en vol neurotische en paranoïde patronen. Je bent te gestressed, bekrompen en beperkt, te kil, te weinig liefdevol. Je bent te bang en boos, hebzuchtig, jaloers en egocentrisch.” Dit doen we vaak zelfs zonder het te weten of te zien, maar hoe verborgen ook, het is een heel negatief, en heel sterk aanwezig IK. En als we proberen om vanuit dat kritische perspectief een losser, ruimer, warmer perspectief te bereiken dan beginnen aan een poging om ons zelf beetje bij beetje los te laten vanuit een steeds versterkt zelf. Een slang die in zijn eigen staart zit vastgebeten.

Stel je voor dat we een eindeloos pad in gaan. Een pad dat niet ergens in een permanente “staat”, een definitieve eindoplossing hoeft te komen. Stap voor schitterende stap. Simpelweg omdat de beoefening zelf al de oplossing is. Lopend en zittend, huilend en lachend is de ongeworden Boeddha steeds hier en nu zichzelf. Precies zoals je bent. Het is de eindeloze perfectionering van dat wat al direct perfect is. Zoals Chogyam Trungpa schrijft in The Path is the Goal: “De Paramita’s zijn de beoefening van degene die al overgestoken is.”
Einstein schijnt ooit gezegd te hebben: “The universe is infinite and expanding.” Wie is de Boeddha, en wat is zijn staat van zijn? Jij bent het en je bent het niet. Jij bent al het leven en enkel grenzeloze liefde. En tegelijkertijd: Mogen we allemaal steeds weer pogen om steeds dieper lief te hebben.

Linji Yixuan
During the last December sesshin we talked about the life and practice of Linji Yixuan (Rinzai Gigen in Japanese). The dharma talks were mainly based on the translation of the Linji-yulu (the record of Linji) by Irmgard Schlögl (https://en.wikipedia.org/wiki/Myokyo-ni), student and successor of Sōkō Morinaga Rōshi.
One of the koan we used was number 34 of the Linji-yulu, in which Linji comments on case 9 from the Mumonkan. The one about Daitsû Chishô Buddha. The koan is as follows.

Mumonkan Koan 9 Daitsû Chishô
Once a monk asked Priest Jô of Kôyô, “Daitsû Chishô Buddha, the Buddha of Supreme Penetration and all Encompassing Wisdom, sat in the meditation hall for ten kalpas, but the Dharma of the Buddha did not manifest itself and he could not attain Buddhahood. Why was this?”
Jô replied, “Your question is splendid indeed.”
The monk said, “He sat in zazen in the meditation hall. Why did he not attain Buddhahood?”
Jô replied, “Because he is a non-attained Buddha.”

A kalpa is the span of time an angel needs, to reduce a high mountain to rubble by brushing over the top with it’s wing once every one hundred years. In other words ridiculously LONG! This is also a poetic way of saying that the Daitsû Chishô Buddha can not attain the Buddha state in all eternity. And the question is, why?
Linji answers the question straight and point by point. He says:

“Supreme Penetration is your own understanding that the myriad things everywhere, have no being of their own and have no [separate] form; this is called Supreme Penetration.
“Surpassing Wisdom” is not to doubt anything, for there is nothing to be attained; this is called “Surpassing Wisdom”.
Buddha is the heart in its purity; its radiance interpenetrating the plane of things is called to become Buddha.
To “sit for ten Kalpas in the Hall of Enlightenment” refers to the practice of the Ten Paramitas.
“The Buddha-Dharma did not reveal itself” means that since Buddha is originally unborn and the Dharma is originally indestructible, how can it reveal itself?
“Did not attain Buddhahood” is that Buddha has no need to become Buddha. An old master said: “The Buddha is always present in the world, but is not stained by the things of the world.”
End of Linji’s quote.

This koan is fundamental to our practice and especially to the intentions with which we enter practice. Of course we start with all kinds of goals and good intentions (it’s part of theturning of the year) to heal ourselves, to understand and change our patterns. To live happier and more relaxed, with more spaciousness and warmth, more caring and with more compassion. To become less anxious and angry. And to live with less greed and selfishness. That’s what we want and there is nothing wrong with that.
But when we start, we often do so coming from a deeply ingrained self-image that actually is constantly whispering in our ears: “You’re incomplete and full of neurotic and paranoid patterns. Your too stressed out, narrow minded and limited. Too cold-hearted, too uncaring. You’re too scared and angry, too greedy, jealous and self-centered.”
We often don’t even notice it but no matter how hidden it is, it’s a very negative and very dominantly present ME. And when we try to reach a more relaxed, spacious and warmer perspective coming from this criticising perspective, then we are trying to let our self go bit by bit from a negative self that just solidifies itself all the time. Like a snake biting it’s own tail.

Just imagine that we enter an endless path. A path that doesn’t need to end somewhere in a permanent “state”, a final solution. Step by magnificent step. Simply because the practice itself is the solution. Whether walking or sitting, crying or laughing, the unbecome Buddha is it, here and now. Exactly as you are. It is the endless perfecting of what is perfect from the beginning. Like Chogyam Trungpa writes in The Path is the Goal: “The Paramita’s are the practice of one who has already crossed.” Einstein apparently once said, “The universe is infinite and expanding.”

Who is the Buddha and what is his state? You are, and you are not. You are all life and just boundless love. And at the same time: May we all try again and again to always love more.

In de trein van Gaya naar Siliguri

Momenteel zit ik in een trein van Gaya (vlakbij Bodhgaya) naar Siliguri. Siliguri ligt in de smalle Indiase corridor tussen Nepal en Bangladesh die toegang geeft tot Darjeeling en Sikkim waarheen we nu op weg zijn. De treinwagon is een Non-Air-Conditioned-Sleeper met meer dan vijftig “bunks” in open coupés. Nergens zitten deuren en alles is hoor- en zichtbaar voor iedereen. Dit is de manier waarop iedereen hier reist die niet het geld heeft voor airconditioning en luxe. De treinrit duurt in totaal dertien uur en we zijn een bezienswaardigheid. Iedereen staart ons ongegeneerd aan. De eindeloze stoet venters van thee, bananen, water en snacks die heen en weer lopen door de wagons, pauzeren bij ons om ons verbaasd op te nemen. Daarbij gaat de aandacht het meest naar Marthe en Gabriëlle (beiden blank en blond) en nog meer naar Rashida (donker en met kroeshaar). Het gaat allemaal zonder woorden, maar het is zonder meer intimiderend en heel ongemakkelijk.

We zitten naast een Indiase familie. Ze zijn zo te zien straatarm. Een baby is duidelijk ondervoed. Een ander kind, een peuter, heeft geen kleren aan. De anderen, grootvader en grootmoeder, hun dochter, en nog een aantal kinderen, lopen in lompen. Ik denk niet dat ze kaartjes hebben. Na een uur of drie onderweg te zijn maken ze op een stuk karton op de vloer van de wagon een maaltijd van koude rijst met wat kleine losse stukjes kip en groenten. De vloer was al buitengewoon smerig maar als de maaltijd gereed is, is het helemaal voorbij alle beschrijving. Overal ligt rijst en vet. Het peutertje gaat met zijn blote voetjes, waarmee hij gewoon over de vuile grond van de wagen loopt, in de rijst op het karton staan maar dat verhindert de maaltijd niet. De geur is al evenzeer onbeschrijfelijk. Een mengsel van urine en kruiden. Ik voel me vreselijk in de smerigheid en tegelijkertijd voel ik me volkomen thuis en op mijn gemak. Ik beweeg tussen walging en liefde, afschuw en bewondering. Reizen door India is voor mij niet zozeer het bezoeken van oude plaatsen en mooie gebouwen en paleizen. India zelf transformeert me, beroert me en verandert me. Dit hier nu verandert me.
Gisteren ben ik met Helen, Dennis en Hans naar de rivier geweest die door Bodhgaya loopt. Weg van het enorme Mahabodhi tempel complex, het platte land van India in. We werden door de beheerder van ons logeeradres in Bodhgaya, genaamd Himalay, meegenomen naar een grote oude banyan boom, waaronder een klein oud Boeddha beeld stond met een verweerd gezicht. Er zaten wat boeren op een paar lappen op de grond met elkaar te praten. Er speelden een paar kinderen. Verder was er alleen stilte en landschap en ruimte. De plek is ver verwijderd van de stad, landelijk en pal naast de rivier. Volgens Himalay was dit de boom waaronder de Boeddha zat, toen hij op de rivier een boot voorbij zag komen. Op de boot zat een sitar speler die zijn leerling uitlegde hoe je het instrument moet stemmen. Als je de snaren niet strak genoeg spant, komt er geen goed geluid uit de sitar. En als je de snaren te strak spant kan de sitar zelfs breken. Het gaat er om precies genoeg spanning te creëren. Niet te veel en niet te weinig. De Boeddha realiseerde zich dat zelfvernietiging noch zelfbevestiging goed werken op het pad. Hij noemde het de middenweg, the middle way. Een vrouw genaamd Sujata, bracht hem wat melk en rijst en de Boeddha at en waste zichzelf. Vlak bij staat een klein tempeltje gewijd aan Sujata. Misschien was het inderdaad de plek en misschien ook niet, wie zal het zeggen. Maar wat me ontroerde was de directheid er van. Ik kan het niet zo goed beschrijven. Boeddha, boeren, koeien, kinderen, vuil, meditatie simpel en direct, een slok melk en een beetje rijst, diepe armoede, honger en ondervoeding, lijden, koeienpis en voedsel en stront en dood en een ruimte rondom en binnenin die geen beoefening, geen honger, geen afschuw, geen vuilnis en geen dood kent. Ik voel me getransformeerd door deze onbeschrijfelijke ervaring, die zo ver verwijderd is van mijn normale dagelijkse leven en die toch zo vertrouwd en nabij voelt, zo normaal. Ik voel een diepe vrede vandaag. Ik ben niet op de juiste plek en ik walg van de goorheid en ik verkeer in een diepe vrede die onbezoedeld en onveranderd en onberoerd is. Ik voel mijn hart onmetelijk ruim en vervuld van liefde voor al deze mensen. Ik ben verliefd en ik ben liefde.
En ik voel me vervuld van dankbaarheid voor onze oorspronkelijke leraar en voor mijn huidige leraar en voor alle leraren daar tussen in. Ik zal alles doen wat ik kan in de tijd die me rest om de beoefening die mijn leraar met me deelde te delen met wie dit maar met me wil delen.

Het is nu donker en we zijn nu twee stop-plaatsen verder. De familie blijkt inderdaad geen kaartjes te hebben en ze worden hier zonder pardon van de trein gezet door een paar opgetrommelde militairen met machine pistolen. Ze zijn boos en bang en ik voel met ze mee.

Bodhgaya

De weg van Varanasi naar Bodhgaya is naar Nederlandse maatstaven gemeten onmeetbaar. Ik ben deze zin een paar keer opnieuw begonnen, maar iedere keer loop ik vast, eenvoudigweg omdat de weg voorbij de verbeelding gaat. Je kunt het alleen maar ervaren. Nu is het zo dat bij zoiets extreems als een provinciale weg in India, iedereen wel kan invoelen dat ons voorstellingsvermogen gewoon tekort schiet. Maar eigenlijk is dat ook voor hele gewone dingen. Iedere ervaring kan uiteindelijk alleen ervaren worden. Woorden schieten altijd te kort, al zijn woorden vaak wel behulpzaam om de ervaring te benaderen.

Hoe het ook zij, we hebben de weg tussen Varanasi en Bodhgaya overleefd. Ternauwernood moet ik erbij zeggen. Onze chauffeur was een echte Banarasi, die met enige regelmaat de kolder in zijn kop kreeg en dan in plaats van rustig achter zijn oudere collega in de voorste taxi aanrijden, opeens over de honderd ging rijden op een weg waar 50 km per uur soms net aan veilig is, soms. Zo rond 80 km vóór Bodhgaya ging het uiteindelijk bijna mis. Een kansloze inhaalactie van onze “piloot” eindigde op minder dan een halve meter van de achterkant van een stilstaande jeep, met naast ons een heftig scheldende motorrijder die zich het vege lijf gered had door de berm in te rijden, wij vier erg geschrokken taxi-passagiers, en die eerder genoemde oudere collega chauffeur die boos de passagiersdeur open trok en onze chauffeur op een woeste uitbrander trakteerde. Toen we weer onderweg waren hebben wij de chauffeur nog even redelijk duidelijk te kennen gegeven dat wij geen haast hadden en nog graag even verder zouden willen leven. Uiteindelijk kwamen we in Bodhgaya aan. Happy to be alive.

Bodhgaya is een heel bijzondere plek. Traditioneel is dit de heiligste plek voor Boeddhisten van alle gezindten. Dit is de plek waar volgens de overlevering de Boeddha, na het vinden van de middenweg (bouw je ego niet op door jezelf vast te bijten in het najagen van allerlei gerief, bouw je ego niet op door het te willen vernietigen in extreme ascese) enkele dagen onder een ficusboom zat te mediteren en ontwaakte. Die beoefening, diep in jezelf kijken en rusten in bewustzijn, is de grondslag van alle beoefening. Zijn beoefening is onze beoefening. Wat dat betreft is er niets veranderd en hoeft er niets veranderd te worden. De taal is veranderd, de technieken zijn veranderd, maar de essentie is even ongrijpbaar als onveranderbaar.

Ik voel een diepe verbondenheid met mijn oorspronkelijke leraar, maar ik moet toegeven dat ik die verbondenheid hier in de Mahabodhi Temple soms maar moeilijk kan vinden. Want de Mahabodhi Temple is een mengeling van prachtige devotie en verbondenheid en een complete kermis. Ik ben zoals de traditie voorschrijft om de tempel heen gelopen, langs de boom (die overigens rond 1850 opnieuw is geplant). Dat is een ontroerende ervaring van verbondenheid. In een hoek zitten een groep Chinese vrouwen in vol ornaat een sutra te chanten in opperste concentratie en aanbidding. In een andere hoek zitten drie Tibetaanse monniken met een speaker en microfoon en zingen diep sonoor een Tibetaanse tekst. De warme ontroering zit voor mij vooral in die verbondenheid, het samenzijn. We zijn hier allemaal van over de hele wereld samen vanwege die ene man die van ons allemaal de oorspronkelijke leraar is. En ik voel mijn dankbaarheid voor de Boeddha en mijn leraar weerspiegeld in de gezichten van iedereen om me heen. We zijn hier allemaal omdat zijn beoefening nog steeds diep relevant is voor ons allemaal.

Er is ook een devotie-aspect. Daar waar devotie aanbidding wordt van de Boeddha, wordt het wat moeilijk voor me. Volgens mij was de Boeddha namelijk geheel niet geïnteresseerd in aanbidding van zijn persoon. Maar al is aanbidding van de oorspronkelijke Boeddha hier ook duidelijk aanwezig, de devotie die ik ervaar, richt zich naar mijn gevoel toch meer op toewijding, toewijding aan beoefening, aan medemens, aan Boeddha-dharma en dat herken ik met ontroering. Ook daarin voel ik verbondenheid.

De Mahabodhi temple is ook een complete kermis. Ik had op meerdere momenten een sterk “Lourdes” gevoel. Overal is een soort kerstverlichting opgehangen, tot in de tempel zelf. En bij de ingang staat een enorme markt met honderden kraampjes waar je de meest verbijsterende beelden en objecten kan kopen, van mala’s in alle kleuren van de regenboog tot lichtgevende plastic Boeddha beeldjes met led-lampjes er in. Ik snap de commercie goed want in Bodhgaya wil men ook leven en de gelegenheid om er iets aan te verdienen pakken ze hier met beide handen aan. Maar tegelijkertijd kost het me soms moeite om op deze kermis verbinding te maken met meditatie en stilte. Ik kan, zoals ik al zei, de Boeddha die onder deze boom zat en mediteerde soms niet zo goed vinden, wat ook betekent dat ik mijn beeld, mijn voorstelling van hoe het was niet zo maar kan loslaten. Toch is zitten in het tempel complex, te midden van al mijn zussen en broers in beoefening en samen met mijn beide zoons een adembenemende ervaring, die me vervult van dankbaarheid en verbondenheid. 

Sarnath

Als we het hebben over “space and no space” is Sarnath een prachtige illustratie. De rit van Varanasi naar Sarnath (ongeveer 10 km) is een avontuur op zich. De stad Varanasi en de bewoners, die zich Banarasi noemen (naar Banaras of Benares, een oudere naam van Varanasi) hebben de reputatie net even heftiger, ontvlambaarder te zijn dan de meeste andere steden en hun bewoners in India. Het verkeer in Varanasi is dus ook net even gekker en hectischer dan elders en dat wil best wat zeggen. Het is de buiten-categorie. De rit naar Sarnath is dus een belevenis en voorin zitten in een taxi is niet zonder meer een voorrecht. Want waar we in Nederland heel soms op de centimeter nauwkeurig rijden, hier rijden taxichauffeurs hier altijd en met zijn allen op de micrometer. Wie iets wil ervaren van doodsverachting nodig ik van harte uit voor een taxi rit in Varanasi met een Banarasi chauffeur.

We overleefden gelukkig en kwamen heelhuids in Sarnath aan. Daar werden we onmiddellijk bij uitstappen overlopen door tour guides (“come I show you everything”), straatverkopers (“I make you special price”), en bedelaars die niets zeggen maar wel op mijn buik of arm kloppen met hun ene hand en met de andere op hun mond wijzen in het universele gebaar van honger. Probeer daarin maar eens je rust te bewaren. De tour guides en straatverkopers kan ik inmiddels deskundig negeren maar met bedelende kinderen lukt me dat lang niet altijd. Als ik er een wat geef doe ik dat meestal een beetje in het geniep want anders heb ik hier echt geen ruimte meer.

En toen liepen we ineens zomaar het park binnen. The Deer Park in Sarnath, waar naar de traditie zegt, de Boeddha zijn eerste lessen gaf aan zijn vijf oude makkers die hem eerder achter hadden gelaten in Bodhgaya omdat ze dachten dat hij de weg van beoefening en onthechting had verlaten. We liepen zo uit de hectiek de stilte en sereniteit binnen. Want het park is een oase. Groen, schoon, stil en ruim. Zelfs een grote groep Vietnamese monniken en leken die rondliepen en een sutra dienst deden op het gras bij de stupa, verstoorden de rust niet. Eerder was het alsof ze de stilte dieper maakten. Het gezang accentueerde de rust en weerspiegelde hun beoefening en devotie op een prachtige manier. Ik vermoed dat nagenoeg iedereen die het park binnenkomt wordt aangeraakt door die rust, de ruimte van de plek en dat raakt iets diep in me. Het ontroert me om mijn eigen ruimte en stilte zo te ervaren, en te delen met al die anderen uit een andere cultuur en van een ander continent. De ruimte verbindt.

Mijn innerlijke stilte, het woordeloze, oneindige is de woordeloze stille oneindigheid in iedereen en in Sarnath in het deer park is dat diep voel- en ervaarbaar.

Wij, Helen, Jeroen en ik, hebben op het gras bij de stupa in Sarnath een korte ceremonie gedaan (Kanzeon Sutra en Sho Sai Myo Kitchijo Dharani) voor Catherine, Roshi’s oudste vriendin en de moeder van Roshi’s petekind en Dana-Sangha lid Nicolas. Catherine is eergisteren onverwacht vroeg overleden aan een hersentumor. Daarna hebben we gekeken en gezeten in de rust van Sarnath, dankbaar voor de oorspronkelijke leraar en de lijn van al die mensen die de ingang naar deze ruimte doorgaven van generatie op generatie tot vandaag aan ons.

In feite toont Sarnath me zo rechtstreeks een van de belangrijkste elementen van onze beoefening. Hoe vind ik in mijn dagelijkse maalstroom van dingen, in die eindeloze stoet van mijn innerlijke tour-guides (I know, we go?), straatverkopers (I have, you want, special price?), en bedelaars (I am poor and in need, you give?) die steeds aandacht trekken en elkaar proberen te overschreeuwen, hoe herinner ik me te midden daarvan de toegang tot mijn deer park, mijn woordeloze eindeloze stille ruimte die niet van mij is?

Wat ik ook dit keer weer opmerkte was, dat de manier waarop ik na mijn bezoek aan innerlijk en extern Sarnath de guides, verkopers en bedelaars te gemoet trad, anders was dan daarvoor. Net even opener, warmer, geduldiger.

I love Sarnath, wherever it is.

Varanasi 2

Wie in Varanasi als westerse bezoeker onder alle omstandigheden rustig en evenwichtig kan blijven, moet wel een hoge staat van innerlijke rust en evenwichtigheid hebben bereikt. Equanimity, gelijkmoedigheid, is een van de vier kenmerken van verlichting. En wie die gelijkmoedigheid kan bewaren bij een bezoek aan Varanasi, vergezeld van vrouw en kinderen, bereikt volkomen en volledig de hoogste verlichting. Geintje natuurlijk.

Zou de Boeddha momenten hebben gehad dat hij zich ergerde aan sommige leden van de sangha? Zou hij angst, onzekerheid, frustratie en teleurstelling hebben gekend? Ongetwijfeld. Sommige sutra’s wijzen daar ook voorzichtig op. Ik hou erg van de actievere vertaling van de term “anatta” wat een van de drie essentiële aspecten van leven is, namelijk anatta, anicca en dukkha, zelfloosheid, vergankelijkheid en lijden. Anatta wordt dus meestal vertaald als zelfloosheid maar sommige vertalers noemen het Non-selfing of, nog mooier, No-I-making. Het is actiever. Het sluit niet uit dat er ergernis, irritatie, “zelf-maken” ontstaan, maar de beoefening is dat te zien en het los te laten. We kunnen kennelijk niet leven zonder onszelf te zien als mens, als individu, ik, uniek en anders dan anderen, maar dat kunnen we ook weer laten gaan en in een flits bewegen van klein naar oneindig om dan die oneindige tijdloosheid als mijzelf te manifesteren en uit te stralen. Zoals Roshi wel zei, grab and relinquish, grab and relinquish, and relinquish and relinquish. We kunnen zelfs the No-I-making loslaten, onze beoefening loslaten en rusten in wat er maar is.

Varanasi is een heftige stad. De toeters hier lijken luider dan elders, het leven opdringeriger dan elders, de dood nabijer dan elders. Lopen door de straten en stegen is overweldigend. Roshi vertelde me ooit dat in het Japans de term voor hel hetzelfde betekent als no space. Zo voelt het hier soms.

De laatste middag in Varanasi heb ik met Dennis een wandeling over de ghats gemaakt. Op de Harishchandra Ghat, één van de twee ghats waar de crematies plaats vinden, zijn we op een bankje gaan zitten en hebben leven en dood over ons heen laten komen. Het is zo dicht bijeen. Brandende lichamen en vliegerende kinderen. Zingende families (alleen de mannen natuurlijk) die om een stapel hout lopen en die vervolgens in brand steken. Schreeuwende mannen die elkaar uitfoeteren als er iets in het ritueel niet gaat zoals het hoort. De brede rivier ervoor en de onbegrensde hemel vol rook en stof er boven.

Op weg terug naar de Yogaschool waar we logeren kocht Dennis een stel vliegers om op te laten en weg te geven. Gillende, lachende jochies. Brandende lijken.

Varanasi 1

Ons reisgezelschap is nu compleet, nadat we Marthe hebben opgepikt in Delhi, op weg van Agra naar Varanasi. En nu in Varanasi valt me op dat er toch wel wat veranderd is de afgelopen tweeëneenhalfjaar. De weg van de luchthaven naar de stad is grotendeels vierbaans geworden en het oogt allemaal schoner en opgeruimder. De Clean India campagne die nu een paar jaar loopt, lijkt te werken. Maar als we door de sloppen lopen achter de ghats is alles nog steeds van een onvoorstelbare goorheid. Varanasi de onbeschrijfelijke.

Vanmorgen heb ik op het balkon van de Yogaschool waar we logeren, zitten mediteren in alle vroegte. Bij zonsopkomst ontvouwt de Ganges, die op vijf meter afstand van onze voordeur stroomt, zich als een vlakke spiegel, kalm en tegelijkertijd verraderlijk want de rivier stroomt nu, net na de regentijd heel snel. De ruimte van dit uitzicht in de snel toenemende hitte is verbluffend. Weids en zinderend van leven en dood. Misschien is dit wel een van de redenen waarom dit land en deze stad me zo ontroeren en inspireren, en waarom ik me hier zo opgenomen en thuis voel. Het is zo leeg en ruim en tegelijkertijd zo vol van leven. Hier, aan de oever van de Ganges, liep en zat en sliep en at 2500 jaar geleden de Shakyamuni Boeddha. Zo direct en nu en verbonden. Hij is hier en mediteert.

Agra

Terwijl we in een taxibusje van Delhi naar Agra reden, had ik het sterke gevoel terug te reizen in de tijd. Van wereldstad naar platte land, van airconditioned taxi-bus naar ossenkar (die hier gewoon over de snelweg voortsjokken, en niet eens alleen op de vluchtstrook). De contrasten in India zijn heftig en meestal behoorlijk ongemakkelijk voor me. We zitten nu in een prachtig hotel, heel oud, met best wat luxe en in Victoriaanse stijl. Buiten de poort leven mensen die hier tot de middenklasse behoren en die we in Nederland onder de armoedegrens zouden plaatsen. Wat dat in me oproept nu is de hernieuwde maar nog steeds schokkende realisatie hoe ongelooflijk bevoorrecht ik ben, gewoon omdat ik in Nederland geboren werd. Niet meer dan een toevalligheid!? Gewoonweg waanzinnige mazzel!?

Hoe het ook zij, ik ben bevoorrecht en rijk en niet alleen materieel. Ik heb het voorrecht Helen’s partner te zijn, en de vader van Dennis, Douwe en Marthe. Het voorrecht dat ik een beoefening en een leraar heb gevonden en dat ik mijn beoefening kan delen met mensen die die mij weer gevonden hebben. En ik heb ook het voorrecht van lijden, bijvoorbeeld van een eenzame jeugd vol onveiligheid en dreiging. Van ervaren te hebben wat angst is en fysieke pijn. Wat geweld is, wat machteloosheid is. Want lijden is niet het exclusieve domein van armoede in een arm land. Leven gaat onherroepelijk gepaard met lijden. En geeft het voorrecht te weten en ervaren dat ieders pijn en alle lijden, zo goed als ieders vreugde, dat ieder leven mijn leven is. Ik leef en ben leven.

“Always maintain only a joyfull mind,” staat in de Seven Points of Mind Training.
“All will be well,” zegt Julian of Norwich.

New Delhi, dag 1

Delhi is en blijft gewoon een soort gekkenhuis. Hectisch, gedreven, luidruchtig en “in your face.” De houding hier is zo te zien “scherp”. Het gaat om overleven en vooruitkomen. Delhi is ambitieus en wil voorwaarts. Maar voor veel mensen hier is het puur overleven op een plek waar de concurrentie moordend is. Taxi-chauffeurs, tuk-tuk rijders, straatverkopers en bedelaars, ze zijn allemaal schijnbaar verwikkeld in een concurrentieslag op leven en dood. Ongetwijfeld zal er ook veel onderlinge solidariteit en verbondenheid zijn, veel hulp en familie en gemeenschapszin, maar in Delhi voel ik dat minder duidelijk dan elders in India. Bovendien is het onze eerste dag hier en alles komt heftig binnen. Nu zie ik weer de gezichten voor me van twee jochies, die vanmiddag op de specerijenmarkt in Old Delhi aan mijn mouw hingen. Straatarm, ongelooflijk smerig, op blote voeten allebei en in lompen gekleed. We hebben ze wat geld gegeven, misschien net genoeg voor een broodje of wat rijst met dal. Ik weet dat het niet helpt. Ik weet dat het voor dat moment helpt, een beetje, misschien een beetje. Ik weet het eigenlijk niet. Toen ze wegliepen, teleurgesteld, zong ik in mezelf de Sho Sai Myo Kichijo Dharani. De chant die geacht wordt te beschermen en onheil af te wenden. Ik doe dat vaak hier. Helpt dat?

Na de Dharani zingt de Ino in sesshin altijd: “Overal waar deze aanroep wordt uitgesproken, wordt die gehoord en in stilte beantwoord.” Ik zing hem nu nogmaals voor die twee knulletjes en voor alle bedelaars op de wereld. May their lives go well.

All Aboard!

We zijn op weg naar Delhi in een vliegtuig vol westerse toeristen op de heenweg en Indiërs op weg naar huis. Zij waren waarschijnlijk toeristen en wij worden het, maar nu, in between, zitten we in een soort niemandsland, een aluminium doos waarin het normale leven voor acht uur is uitgeschakeld. We zijn reizigers. We zijn één geheel, met één richting, in een paar honderd totaal verschillende levens. Eenheid in verscheidenheid. Natuurlijk is het altijd al zo, op ieder moment, alleen zien we het niet. Het leven gaat zijn gang. Het heeft geen specifieke richting, geen specifieke bedoeling, geen specifieke kleur, en daarom kan het alle richtingen, bedoelingen en kleuren omvatten en zijn. Zo is het ook in deze cocon. Alle diversiteit die maar voorstelbaar is, kan hier aanwezig zijn.

In The Holstee Manifesto staat te lezen: “Travel often. Losing your way wil help you find yourself.” Ik zou zeggen: “Losing yourself will make you find yourself.” Wanneer we onze vaste grond verliezen, als we even niet weten wie, wat, waar, en hoe, als we onszelf kwijt zijn, vinden we onszelf. Alleen door mezelf niet te kennen kan ik werkelijk mezelf zijn. Het achterlaten van mijn comfort-zones, van mijn bekende leven, betekent dat ik een nieuwe wereld binnen stap. En India is daarvoor de ideale plek. Vrijwel niets is daar wat ik gewend ben en bijna niemand spreekt mijn taal. Dat is vaak heel ongemakkelijk. Reizen door India is geen vakantie maar een – vaak heftige – ervaring. Ik laat normaliteit achter. Ik laat mijn leven achter en stap Leven binnen. Of liever, ik wordt wakker in wat ik altijd al was, ben en zal zijn.

Om me heen zitten Helen, Douwe, Dennis, Rashida, Gabriëlle, Jeroen en Hans. Wat een rijkdom om deze reis te kunnen delen met hen. We zijn allemaal zo verschillend en tegelijkertijd ondeelbaar, ononderscheidbaar, zelfloos één. Er is maar één adem, één leven, één organisme. Maar één kloppend hart. Hoe ontroerend.

Me, Myself and I (a.k.a. Michel Sensei)

Begin juni was ik met Helen in Zuid-Frankrijk voor een week vakantie. Tijdens die vakantie had ik nogal last van mijn rug (spier flink verrekt) en las ik “Pure and Simple” van Upasika Kee Nanayon (1901-1978). Het weer in Frankrijk was ook niet wat we daar gewend zijn. Het was bewolkt en zo nu en dan nogal fris. En de spieren in mijn rug waren strak en pijnlijk met een scherpe plek tussen mijn schouderbladen. Mijn stemming was dus een beetje mopperig. Beetje balen van dat weer en flink balen van de pijn. Maar gelukkig was daar Kee Nanayon om korte metten te maken met het gezeur. Kee Nanayon was een Thaise upasika, een vrouwelijke lekenvolgeling van het pad. Hoewel ze formeel geen non en geen leraar was (in de Thaise traditie zijn er al in eeuwen geen vrouwelijke monnikswijdingen meer) wordt Kee Nanayon in Thailand en daarbuiten, veertig jaar na haar dood, nog steeds zeer vereerd en gerespecteerd als leraar. Haar lessen zijn hyper-direct, praktisch, no-nonsense, eenvoudig zonder vereenvoudigingen. Ze windt er geen doekjes om. Ze wees me er in klare taal op dat ogen, oren, neus, mond en huid, kortom de fysieke zintuigen, enkel poorten zijn, deuren waardoor ervaringen binnen kunnen komen in bewustzijn. En hetzelfde geldt voor gevoelens en gedachten. Ook die kan ik zien als ervaringen die door een soort van “mind’s eye” binnentreden in bewustzijn. Als ze gestopt worden bij de poort, kunnen ze erkend en aanvaard worden, zonder dat ze uitgesplitst worden in “onprettig”, “prettig” of “neutraal” en dus ook zonder dat ze uitgebouwd worden, en zonder dat ze geweigerd, dan wel vastgehouden, dan wel genegeerd hoeven te worden. Als ze gestopt en losgelaten worden, vervagen ze snel en worden ze vervangen door nieuwe ervaringen. Ze blijken vergankelijk en zonder eigen losstaande substantie, zonder Zelf. Het herinnerde me aan een uitspraak van meester Matzu. Als de voorafgaande gedachte, de huidige gedachte en de volgende gedachte niet langer aan elkaar gebonden zijn, dan wordt tussen de gedachten de achterliggende ruimte zichtbaar. De stapelingen van ervaringen, de skanda’s, hebben dan niet langer een kern omdat het de IK-maker niet meer wordt toegestaan om alle ruimte in te nemen en alles te claimen. De pijn bleef en het weer werd maar niet beter. Pijn is pijn. Het lichaam, bestaande uit bloed en botten, pezen en spieren en (een beetje teveel) vet, voelt de warmte van de zon als die schijnt, en de natheid van regen als die valt. Het is zoals het is. Warm is warm en koud is koud. Maar als IkZelf zich er tussen wringt en alle ervaringen claimt als MIJN ervaringen, dat wordt de kou, MIJN kou en de pijn MIJN pijn. En IkZelf ben degene die solide op zichzelf staat en overal iets van vind. Dit wil IK wel, Dat wil IK niet. Het geeft heel veel soliditeit en macht aan Ik en alles wat Ik ervaar. Het creëert een grote afstand tussen IK en MIJN leven. Dan kan ik mijn leven verwensen, er aan lijden, er bang van zijn. Tijdens de avondschemering keek ik vanaf het terras uit over zee, en dacht: Noemt de zee zichzelf Middellandse Zee? Noemt een boom zichzelf Cypres of Eik? Ze zijn heel precies en duidelijk en uniek zichzelf, en tegelijkertijd splitsen ze zich niet af van eenheid. Als er geen IK wordt gemaakt, dan houdt de strijd op. Er is een prachtige koan over Meester Tokusan. Het speelt zich heel kort voor zijn dood af. Tokusan is stervende. Een monnik vraagt hem: “Meester, u bent erg ziek. Is er ook één die nooit ziek is?” Tokusan antwoordt: “Ja, die is er ook.” De monnik vraagt: “Kunt u me vertellen van degene die nooit ziek is?” Tokusan kreunt: “Oh! Auw!”

In the beginning of June Helen and I were in the South of France for a week’s vacation. While there, I was having a severe pain in my back (a torn muscle) and I was reading “Pure and Simple” by Upasika Kee Nanayon (1901-1978). Also, the weather in France was not what we are used to there. It was overcast and rather cold from time to time. And the muscles in my back were tight and painful with a sharp spot between the shoulder blades. My mood was a bit grumpy. Grumpy about the weather, and actually down right pissed of with the back ache. But thankfully, there was Kee Nanayon to make short work with the whining. Kee Nanayon was an Upasika from Thailand, a female lay follower of the path. Although formally she was not a nun nor a teacher, (there hasn’t been womens ordination for centuries in Thailand) even now, forty years after her death, she is deeply revered as a teacher in and indeed outside of Thailand. Her teachings are hyper-direct, practical, no-nonsense, simple without simplifications. She pulls no punches. She pointed out to me clearly, that eyes, ears, nose, mouth and skin, the physical sense organs, are just gates, doorways through which experiences enter into awareness. And the same is true for feelings an thoughts. These too I can perceive as experiences arising in awareness through the gate of the mind’s eye. If they are stopped at the gate, they can be recognised and accepted without being split up into “unpleasant”, “pleasant” or “indifferent”. And therefor also without any need for rejection, clinging or ignoring. When they are just stopped and not clung to, they soon dissipate and are replaced by new experiences. They turn out to be transient, impermanent and without and separate substance, without Self. It reminded me of a saying by Master Mazu. When the previous thought, the present thought and the next thought are no longer connected, then between these thoughts the space behind them becomes vissible. The heaps of experiences, the skanda’s, then no longer have a solid core, because the I-maker is not indulged any more in taking all the space and claiming everything. Meanwhile, the pain and the weather weren’t getting any better. Pain is pain. The body, consisting of blood, bones, muscles and (a little too much) fat, feels the warmth of the sun when it shines and the wetness of the rain, when it falls. It is what it is. Warm is warm and cold is cold. But when the MeSelf inserts itself and starts claiming all experiences as MY experiences, then the cold becomes MY cold and the pain MY pain. And MeSelf is the one that stands solidly alone and has an opinion about everything. This I want. That I don’t want. It gives a lot of power and solidity to ME and to MY experiences. It creates a big distance between ME and MY life. Then I can curse my life, suffer from it, be afraid of it. While the sun was setting I looked at the sea from the terrace and thought: Does the sea call itself The Meditaranean? Does a tree call itself Cypress or Oak? They are very precisely and uniquely themselves and at the same time do not separate themselves from the oneness. When there is no I-making the battle stops. There is a wonderfull koan about Master Tokusan. Tokusan is old and dying, and a monk asks him: “Master, you are very ill. Is there also one who is never ill?” Tokusan replies: “Yes, there is.” The monk asks: “What about the one who is never ill?” Tokusan replies: “Oh! Auw!”