Auteursarchief: Michel Oltheten

Boosheid

Een tijdje geleden sprak iemand in de zendo over zijn boosheid, een emotie die we denk ik allemaal (goed) kennen. Boosheid kan veel gedaantes aannemen, dat kan je afmeten aan het aantal woorden dat we kennen waar boosheid in zit. Boosheid is razernij, geweld, agressie, woede, drift, irritatie, kwaadheid, cynisme, nijdigheid en ga zo maar door. Zelf bezat (en bezit) ik een meestal geremde, verborgen, maar niet weinig agressieve manier van boos zijn. Mijn boosheid richt zich meestal vooral op Michel, maar soms, als ik mijn irritatie een tijdje ingehouden heb, kan het plotseling verbaal naar buiten barsten, waarna iedereen in mijn omgeving – en ikzelf evenzeer – een tijdje geschrokken en/of gegeneerd zwijgt.
Lang dacht ik dat de beste manier om er mee om te gaan was, om het niet in te houden maar tot uitdrukking te brengen. Maar de sfeer ging er dan meestal niet op vooruit en het voelde nog steeds niet goed.
Dus hoe kan ik beter omgaan met boosheid? MIJN boosheid?
Een belangrijke vraag bij zo’n sterke emotie is: Geloof ik in er in? Geloof ik mijn emoties, mijn gedachten, mijn boosheid? Geloof ik in de solide waarheid van “ik en mijn gelijk en mijn terechte woede”? Rondom mijn boosheid beweegt zich bijvoorbeeld een heel beweeglijk circus van vermeend onrecht, kwetsuren, afhankelijkheden, die ik allemaal vanuit één bepaald perspectief zie, namelijk “mijn perspectief”. Vanuit dat perspectief ben ik solide en reëel, en is alles wat ik voel solide en reëel en dus ook mijn boosheid. En de soliditeit daarvan voedt weer de soliditeit van “ik en mijn perspectief” en zo houdt het zich allemaal wederzijds in stand.
De vrachtwagenchauffeur die achter me rijdt en toetert omdat ik langzaam rijd over de Avenue Pasteur in Montreuil, op zoek naar een parkeerplaats, die heeft geen recht om boos op me te zijn. En dus word ik weer boos op hem. Maar zonder dat solide ik-perspectief wordt dit allemaal heel wankel. Heb ik werkelijk gelijk? Is hij werkelijk kwaad op mij? Wat voor verhaal zit er in zijn boosheid en wat is er allemaal betrokken bij de mijne? Weet ik eigenlijk wel wat er gaande is in hem? Weet ik wat er gaande is in mij? Wie is deze man met al zijn “weten” en zijn rechten op verdediging en boosheid? Mijn boosheid wordt wankel, zijn boosheid wordt wankel. Mijn perspectief wordt wankel. “Ik” wordt wankel.

Om dit te kunnen zien helpt mediteren enorm. Het voedt geduld en verdraagzaamheid. En het helpt om de vaste omlijning te vervagen van de “ik ik ik”, die denkt dat hij de solide eigenaar is van al die solide emoties. Meditatie, geduld en verdraagzaamheid zijn de antistoffen tegen woede. En dit kunnen we cultiveren. Het is eenvoudigweg het verbreden, het openen van het perspectief. In openheid wordt alles wat opkomt noch onderdrukt, noch veroordeeld, noch gezien als “probleem”, noch gekoesterd, noch vastgeklampt, noch uitgeleefd.
Het is vooral belangrijk om boosheid niet gaan zien als obstakel. De bergrug en de beek die mijn pad kruisen zie ik ook niet als probleem. Hoe zou het zijn als ze er niet waren? Leven zou maar een vlakke bedoening worden. Een platte, kale, lege woestenij waarin we volgens mij vooral depressief zouden worden. De bergrug en de beek zijn er. En in de avond worden de bergen diep paars en ‘s ochtends is de beek schitterend blauw.

Tijdverspilling

Tijdens de ochtendmeditatie kwam er opeens “out of the blue” een glimlach op toen de gedachte verscheen: “Wat zijn we hier eigenlijk aan het doen?” Ik heb dat wel eens; dat ik me afvraag wat iemand die per ongeluk een zendo binnen zou wandelen zou denken en voelen. Mogelijk iets als: “WTF. Wat doen die lui? Helemaal niets?”
Er zijn periodes geweest dat ik me op mijn kussentje gruwelijk heb zitten vervelen, en dat ik dacht dat het tijdverspilling was. “Rot op met dat geNU.” Maar toch ben ik blijven zitten. Eigenlijk had dat gevoel niets te maken met dat moment en die plaats en wat ik op dat moment aan het doen was. Verveling in dit moment betekent eigenlijk dat ik iets anders zou willen doen, ergens anders zou willen zijn, en vaak zonder zelfs maar te weten wat en waar dan. Verveling bevat een verborgen oordeel over dit ogenblik en dan ben ik dus ook niet aanwezig in dit ogenblik. Ik ben ergens anders, in iets waarnaar ik verlang, iets leukers, iets grootsers, iets meeslependers, iets meer “iets”. Het IK houdt vast aan een idee over wat meditatie zou moeten brengen en DIT NU is gewoon niet goed genoeg. En vol van ideeën en verwachtingen kan IK de gewone alledaagse grootsheid van dit moment eenvoudigweg niet zien.
Daarom is simpelweg zitten en tijd verspillen eigenlijk zo’n prachtige opening. Simpelweg zitten als een blok steen, zonder iets te veranderen, zonder ergens naar te streven of aan vast te houden. In “The Path is the Goal, A basic handbook of Buddhist Meditation” heeft Chogyam Trungpa het over het creëren van maagdelijke tijd. Witte, ongekleurde, oningevulde tijd. Open voor wat er maar opkomt, opmerkzaam op wat er maar ondergaat. Niet meer kijkend naar de tijd, maar de tijd zijn, nu zijn. Meer is niet nodig. Simpel, en tegelijkertijd nog niet zo eenvoudig.

Zwaartekracht

Zittend op mijn kussentje, en kijkend naar het komen en gaan van mijn gevoelens, gedachten, emoties, valt me opeens op hoezeer dit alles lijkt op de werking van de zwaartekracht. Stel je een gedachte voor als een stofdeeltje, wentelend door de ruimte. Zo’n deeltje is een vervorming, een kromming van ruimte-tijd, zo leert Einstein ons, en dat zorgt ervoor dat andere deeltjes zich naar dat deeltje toebewegen. Dat is de werking van de zwaartekracht. En zo’n samenstel van twee deeltjes (gedachten) levert weer een sterkere vervorming en dus meer zwaartekracht op, zodat steeds meer gedachtenpartikeltjes, steeds sneller rond elkaar gaan draaien. Er ontstaan gaswolken, sterren, planeten. Hele melkwegstelsels van kennis, overtuigingen, emoties, concepten en ideeën met in het midden een zwart gat. Een samengeperste massa, waaromheen heel het stelsel draait. Noem dat zwarte gat maar even IK. Vanuit het perspectief van IK is IK het centrum van alles en draait alles om IK. Het is belangrijk dat we dit te zien als een proces en niet als een probléém. Gedachten zijn net zo min als sterren, planeten en zwarte gaten een probleem. Ze zijn er gewoon en ze klonteren samen. Zwaartekracht.

Maar als ons perspectief alleen maar dat van het zwarte gat is, zien we niet dat IK níet het centrum is. We zien niet dat er helemaal géén centrum is. Dat de ruimte overal is. Het perspectief van IK loslaten, het IK vergeten, opent het “perspectief” van heelal (heel al) dat alles omvat, zonder oordeel, zonder voorkeur, zonder grenzen, zonder weten. Er is een eindeloos proces gaande van klonteren en weer oplossen, van geboorte en dood, dat zich afspeelt in een eindeloze en tijdloze ruimte. Als de gehechtheid aan de soliditeit van MIJN gedachten, van MIJN lichaam wegvalt, wordt onmiddellijk helder dat de heelheid van zijn, zowel ruimte als tijd als materie omvat. Ik ben leegte-tijd-materie. Ik ben het proces. En leegte-tijd-materie-proces manifesteert zich in ieder stofdeeltje. Het kijkt door deze ogen, spreekt met deze mond, loopt met deze benen, typt met deze vingers.

Voor de liefhebbers voeg ik twee links toe, die ik kreeg van een sangha-lid. Ze leiden naar twee uitzendingen, hoorcolleges eigenlijk van Prof. Robbert Dijkgraaf. De eerste gaat over de oerknal (en bevat een leuke demonstratie van de zwaartekracht als vervorming van ruimte-tijd). Detweede gaat over de microkosmos, het universum van allerkleinste deeltjes.

De Oerknal http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/93392

Het allerkleinste http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/188722

Meditatie en gebed voor John Cornwell

Lezend in “Meditation in Action”van Chögyam Trungpa Rinpoche viel me op hoeveel overeenkomsten er zijn tussen wat hij schrijft over meditatie (de paramita van dhyana) en wat Thomas Merton schrijft over contemplatie en gebed. Toen ik klein was leerde ik bidden en dat was een uitgesproken hartenkreet bedoeld voor een God die in de hemel was en die luisterde. Veel van mijn kinderlijke geloof was gefundeerd in de hoop dat God daadwerkelijk luisterde, maar tussen mij en de luisterende God was volgens de kerk ook een onoverbrugbare kloof. De hemel en de aarde waren héél ver van elkaar verwijderd. Ik werd dan ook vooral onderwezen in de juiste inhoud van het gebed en de juiste zuiverheid van mij als kleine bidder. Er was gek genoeg weinig aandacht voor de (immers onbereikbare) luisterende God. Zo werd hij een afstandelijke en voorwaardelijke God die woog en oordeelde.
Bij Merton zijn gebed en contemplatie volledig gericht op de luisterende God, op de stilte die geen antwoord geeft maar die daadwerkelijk een diep luisteren is en die niet onbereikbaar is. Ook bij Chögyam Trungpa is meditatie niet gericht op degene die mediteert, niet op de persoon, maar volledig op de luisterende oordeelloze stilte, die zó dichtbij is dat er geen scheiding te maken is. Ik ben het luisteren, zelfs als ik spreek.
De Sho Sai Myo Kichijo Dharani, die we tijdens de Soetra-dienst uitspreken, is een oeroud gebed dat bescherming afroept over allen die met tegenslag en rampspoed te maken hebben. Bij de toewijding ervan zingt de Ino: “Absoluut licht, helder, onpeilbaar en heel het universum doorstralend, overal waar deze aanroep oprecht wordt uitgesproken wordt die gehoord en in stilte beantwoord”.

Terwijl ik dit aan het schrijven was hoorde ik dat Helen’s oom John Cornwell is overleden op 89-jarige leeftijd. Oom John was een schat van een man, huisarts in ruste, toegewijde echtgenoot en vader en gelovig Anglicaan. In september was Helen nog in Bristol waar hij woonde met tante Meike (de zus van Helen’s moeder). Helen vroeg hem toen of hij bang was voor de dood. Hij was er absoluut niet bang voor, in tegendeel. De dharani is voor hem niet nodig. Toch zeg ik hem in de stilte op voor hem, voor tante Meike en hun kinderen, en voor Helen.

Verzet en Satyagraha

Wanneer je begint jezelf te onderzoeken, wordt het als snel duidelijk dat het ik voortdurend bezig is zich te verzetten. Zonder dit altijd ietwat bozige verzet, een soort voortdurend afzetten tegen ….. kan het ik zich niet separaat staande houden. Het leven kan vol verwarring en angst zijn, onbeheersbaar, onbegrijpelijk, vol mysterie. En ik kan daarin kiezen voor de pseudo-vrijheid van een boos, weerbarstig NEE. Een weigering van overgave en een voortdurend passief of actief verzet. Het is een strijd om de vrijheid die tegelijk ook een vlucht uit de werkelijkheid is, want dit verzet levert alleen een illusie van vrijheid op. Zoals een guerrilla-strijder zich terugtrekt in de bergen, zo kan ik me terugtrekken in het struikgewas van mijn eigen leven, ogenschijnlijk vrij op mijn eigen terrein. Maar telkens als de guerrilla-strijder bij de grenzen van zijn gebied komt, ondergaat hij opnieuw het gevoel van beperking en onvrijheid. De guerrilla-strijder in mij kan en wil de beperkingen niet opheffen, want hij kan en wil zichzelf niet opgeven. Maar wat nu als we zouden ontdekken dat we altijd al vrij zijn geweest? Als we ontdekken dat de strijder zijn grenzen verzint om zichzelf in stand te houden, om zichzelf te creëren, dan kunnen we misschien de illusie van begrenzing (even) loslaten. Als er geen grens is, vervalt de noodzaak de grens te bewaken en te verdedigen.
Ik hou van de term Satyagraha, ooit bedacht door de Mahatma M.K. Gandhi. De term bestaat uit twee delen, namelijk Agraha (krachtig vasthouden of benadrukken) en Satya (waarheid). Gandhi bedacht de term om te benadrukken dat zijn strijd voor rechtvaardigheid en vrijheid in India anders was dan geweldloos verzet. Er kon geen sprake zijn van verzet, vond hij. Het ging er veeleer om de “tegenpartij” niet te zien als tegenpartij maar als mijzelf. Het is de bedoeling een liefdevolle vrije uitwisseling tot stand te brengen over de waarheid (de werkelijkheid). Gandhi benadrukte dat die uitwisseling altijd breed van aard moet zijn, omdat niemand de waarheid in pacht heeft. Wat de één als juist ziet, kan voor de ander onjuist zijn. De beoefenaar van Satyagraha kan dus nooit vasthouden aan zijn eigen gelijk. Tegelijkertijd betekent agraha ook dat wat waarheid is, wel steeds opnieuw uitgevonden en uitgesproken moet worden (zelfs als de “tegenpartij” dat wil onderdrukken). Als ik mezelf zie in mijn verzet tegen de werkelijkheid, kan ik daar dan liefdevol ja tegen zeggen, en tegelijkertijd proberen (bijvoorbeeld door meditatie) de werkelijkheid de ruimte te geven? Zo bezien is Satyagraha niets anders dan shikantaza. Zijn in het nu, zonder verzet, en zonder fixeren.

Het beste van het menselijk instinct

In zijn boek “Great Eastern Sun: The wisdom of Shambala” heeft Chögyam Trungpa Rinpoche een prachtige passage geschreven over het menselijk instinct (in het hoofdstuk Working with Early Morning Depression). Omdat de passage zo waardevol en helder is heb ik een poging gedaan om hem te vertalen:
“Iedereen beschikt over het onvoorwaardelijke potentieel van opgewektheid, dat niet zuiver is verbonden met pijn of plezier. Je hebt een impuls, in de fractie van een seconde voel je wat er gedaan moet worden. Het is niet een product van je opvoeding; het is niet wetenschappelijk of logisch; je pikt eenvoudigweg het signaal op. En dan handel je. Je doet het gewoon. Die fundamenteel menselijke kwaliteit van plotseling open zijn voor de situatie is het beste deel van het menselijk instinct. Dat is wat we “Basic Goodness” noemen en onvoorwaardelijk instinct. […] Zelfs op momenten wanneer je in de allerslechtste staat verkeert, bestaat die goedheid nog steeds.”

Basic Goodness is een term die ik onvertaald heb gelaten. Het staat centraal in het werk en leven van Chögyam Tungpa Rinpoche. Hij heeft het zelf beschreven in de zin van drie “virtues”, deugden, wat ik zie als drie beoefeningen:

  • “Unborn: Ongeboren”. Met andere woorden, niets creëren, niets mentaal maken, niets tot een verhaal, concept, idee maken, en vooral niet een idee, imago, verhaal maken van wie ik ben.
  • “Non Dwelling: Onverblijvend”: Met andere woorden ondefinieerbaar durven zijn, me niet ergens aan vast houden, fluïde durven zijn.
  • “Free from pigeonholing: Zonder tunnelvisie”: Voorbij gaan aan alle referentiepunten, en vooral MIJN referentiekaders en -punten;

Voor mij is het een voortdurende oefening, die vooral veel moed vraagt. Moed om te onderzoeken, maar ook moed om te zijn wie ik ben, zonder idee over wie ik ben of over hoe ik denk dat ik zou moeten zijn of “hoor” te zijn. Leven zonder veronderstellingen over “normen en waarden” en de normen en waarden te vinden in het moment, in de situatie, in mezelf, in het instinct van Basic Goodness.

Wachten

Gisterenavond spraken we in de zendo over ‘wachten’. Het was naar aanleiding van een winterse Koan over sneeuwvlokken. Ho Koji (ook bekend als lekebroeder P’ang) kijkt naar vallende vlokken en zegt: “Hoe mooi die sneeuw. Vlok na vlok valt niet op een andere plek”. Kunnen we de aanvaarding voelen? Volledige aanvaarding van wat is, van de plek waar ik ben, van de weg die ik ga, en de plek waar ik neerkom? Niet op een andere plek. Uniek. Nu.
Koans gaan ook over de beweeglijkheid om van perspectief te veranderen, en een perspectief dat ik nog niet eerder echt had bekeken is het perspectief van de plek, de ruimte waarin de vlok valt. Open, niets verwachtend en bereid om te laten gebeuren wat er maar gebeurt. Dit is wachten zonder verwachten. Alert zijn, wakker zijn, ontvankelijk en open, zonder dat daarin vooruitgedacht of teruggekeken wordt. Ik herinnerde me een citaat van Johannes van het Kruis: “Ik ben het hart dat wacht, zelfs als ik slaap”. Een grenzeloos en leeg wachten, open voor iedere verschijning en gebeurtenis. Een leegte waarin ruimte is voor iedere vorm. Een ander citaat: “We are like snowflakes falling in water, leaving no trace”. Als we dat alleen zien vanuit het perspectief van de sneeuwvlok zou dat onze angst voor de vergankelijkheid goed weergeven. Maar tegelijkertijd is er het perspectief van het water, van de oceaan, alle sneeuwvlokken omvattend, en altijd wachtend zonder verwachting.

Daigyo Zenji (1338-1366)

Dit is een gedicht dat ik tegen kwam in “Thank you and OK” van David Chadwick, het boek waarin hij zijn ervaringen beschrijft als zenboefenaar in Japan. Het gedicht is geschreven door Daigyo Zenji (Daichi Zenji) de stichter van Shogoji (een Soto tempel in Kyushu Japan).

Zittend op een heuvelhelling
Samen met een jonge eik
Een blad valt
Op de mouw van mijn mantel

Wierook wordt niet
de rook
Evenmin verander ik
In een draak

Omringd door de
Sangha van bergen
Wandel ik naar de beek

En was mijn gezicht
Met de sterren

Winterkoninkje

winterkoninkjeGisteren vond Helen een dood winterkoninkje op straat.
Waarschijnlijk is het diertje tegen een ruit gevlogen of door een auto geraakt. Een piepklein vogeltje, nog helemaal gaaf en intact. Ze (het was een vrouwtje) zag eruit alsof ze zo weer weg zou kunnen vliegen. Job heeft haar liefdevol op de hand van het boeddha-beeld in de zendo gelegd en daar heeft ze nu twee avonden gelegen. Zo dadelijk ga ik haar begraven in de tuin.
Kijkend naar dit kleine dode vogeltje in mijn hand herinnerde ik me een passage uit de Mahabharata (fragment uit de filmversie van Peter Brook op 8min 30sec) waarin Yudhisthira, de oudste der Pandava, een aantal raadsels moet oplossen. Het laatste raadsel is: “Wat is het grootste wonder?” Yudhisthira antwoordt: “Iedere dag slaat de dood toe en wij leven alsof we onsterfelijk zijn.”
Luister trouwens vooral naar alle vragen en de antwoorden van Yudhisthira. Ze zijn allemaal zeer de moeite waard!