Tijdverspilling

Tijdens de ochtendmeditatie kwam er opeens “out of the blue” een glimlach op toen de gedachte verscheen: “Wat zijn we hier eigenlijk aan het doen?” Ik heb dat wel eens; dat ik me afvraag wat iemand die per ongeluk een zendo binnen zou wandelen zou denken en voelen. Mogelijk iets als: “WTF. Wat doen die lui? Helemaal niets?”
Er zijn periodes geweest dat ik me op mijn kussentje gruwelijk heb zitten vervelen, en dat ik dacht dat het tijdverspilling was. “Rot op met dat geNU.” Maar toch ben ik blijven zitten. Eigenlijk had dat gevoel niets te maken met dat moment en die plaats en wat ik op dat moment aan het doen was. Verveling in dit moment betekent eigenlijk dat ik iets anders zou willen doen, ergens anders zou willen zijn, en vaak zonder zelfs maar te weten wat en waar dan. Verveling bevat een verborgen oordeel over dit ogenblik en dan ben ik dus ook niet aanwezig in dit ogenblik. Ik ben ergens anders, in iets waarnaar ik verlang, iets leukers, iets grootsers, iets meeslependers, iets meer “iets”. Het IK houdt vast aan een idee over wat meditatie zou moeten brengen en DIT NU is gewoon niet goed genoeg. En vol van ideeĆ«n en verwachtingen kan IK de gewone alledaagse grootsheid van dit moment eenvoudigweg niet zien.
Daarom is simpelweg zitten en tijd verspillen eigenlijk zo’n prachtige opening. Simpelweg zitten als een blok steen, zonder iets te veranderen, zonder ergens naar te streven of aan vast te houden. In “The Path is the Goal, A basic handbook of Buddhist Meditation” heeft Chogyam Trungpa het over het creĆ«ren van maagdelijke tijd. Witte, ongekleurde, oningevulde tijd. Open voor wat er maar opkomt, opmerkzaam op wat er maar ondergaat. Niet meer kijkend naar de tijd, maar de tijd zijn, nu zijn. Meer is niet nodig. Simpel, en tegelijkertijd nog niet zo eenvoudig.