Verkeer

Eén van de verbazingwekkende aspecten van het dagelijkse leven in India is het verkeer. Helen heeft een filmpje gemaakt van een rit in een tuktuk in Jaisalmer in de avond. Als je dat ziet krijg je een indruk van de (on)geordende chaos die hier verkeer is. Het is niet bijzonder om op de snelweg te rijden en op de meest linker baan (officieel rijdt men hier in Britse stijl links) een auto, tuktuk, of een door een kameel getrokken kar te zien, die je tegemoet komt. Dat is niet hetzelfde als wat wij spookrijden zouden noemen, want hier is dat normaal weggebruik. Als je toevallig aan die kant van de weg bent en je wil een eindje terug, dan keer je gewoon, doet je grote lichten aan en rijdt terug op de meest linkse baan. Essentieel is dat je toetert. Ook keren door de middenberm is gewoon.
Op de driebaanssnelweg van Delhi naar Jaipur is de meest rechterbaan (wat wij de snelle baan zouden vinden) min of meer gereserveerd voor doorgaand langzaam vrachtverkeer. De middelste en linker banen zijn voor inhalen waarbij rekening gehouden moet worden met tegemoetkomend verkeer op de verkeerde weghelft. En je haalt in waar dat kan dus iedere baan is een goede baan ook als dat de vluchtstrook is. De vluchtstrook, die hier emergengy lane heet, is gewoon een extra rijstrook en de echte emergency lane is de baan waar de emergency plaats heeft. De belijning van de weg ontbreekt regelmatig en als die er is moet je dat niet zien als rijstrookbegrenzing maar meer als suggesties. Inhalen of van baan wisselen gaat dan ook niet gepaard met gebruik van richtingaanwijzers maar met claxoneren. In feite is de claxon hier belangrijker dan de remmen. Wie achterop komt toetert om aan te geven “pas op hier kom ik”, waarna wie opzij kan gaan opzij gaat, en wie dat niet kan of niet wil die negeert het signaal. Degene die van achteren komt dient uit te kijken en uit te wijken en wie vóór rijdt niet. Dat spaart ook achteruitkijkspiegels, dus die zie je dan ook niet zo vaak aan de oudere auto’s en met name vrachtauto’s bevestigd. Wat aan nagenoeg geen enkele vrachtauto ontbreekt zijn talloze good luck charms en een tekst in koeieleters achterop die zegt “BLOW HORN”. Ik heb in enkele van die vrachtwagens in de cabine kunnen kijken en sommigen hebben tegen de raamstijl van de twee voorruiten (de meeste Tata trucks hebben een gedeelde voorruit) een kompleet tempeltje staan met afbeeldingen van goden en gekleurde slingers.
In de stad is de chaos zo mogelijk nog groter. Regels lijken geheel afwezig, de drukte is onvoorstelbaar en aangezien iedereen constant toetert is de claxon ook niet meer zo’n handig hulpmiddel (hoewel onverminderd populair). De enige regel lijkt te zijn: wie van achteren komt kijkt uit. Dus je let op wie voor je rijdt en hoopt op de alertheid van wie achter je zit.
Het aantal dodelijke verkeersslachtoffers naar rato van bevolkingsomvang ligt in India dan ook net boven het mondiale gemiddelde (vergelijkbaar met Afghanistan, Congo, Kenya en Uruguay) en is zo’n vijf keer zo hoog als in Nederland. Toch staan ze niet bovenaan, want met name in Latijns Amerika zitten kennelijk veel landen waar men het mondiale gemiddelde ver overschrijdt (we hebben hier internet en dus wikipedia).
Het gekke is dat we in de afgelopen vier weken maar één ongeluk hebben gezien en dat was alleen blikschade, dus naar plaatselijke maatstaven is er helemaal niks gebeurd. Dat wordt gewoon terplekke uitgedeukt en overgekwast, net zo goed als dat ik hier op de linker rijstrook van de snelweg een vrachtwagen heb zien staan waarvan terplaatse een complete achteras werd vervangen, gewoon met behulp van twee flinke hydraulische kriks en een ploegje mannen uit een bestelwagen. Kom daar maar eens om bij de ANWB wegenwacht. Het improviserende vermogen is hier heel groot wat natuurlijk ook niet anders kan, want zonder dat kom je hier niet ver.
Het verkeer heeft hier iets heel bijzonders, wat ons allemaal opgevallen is. Het is een gekkenhuis, maar ik heb geen enkele keer iemand boos zien worden. Toen op een tweebaansweg tussen Pushkar en Jaisalmer een overladen bus een vrachtwagen inhaalde en ons op onze weghelft tegemoet kwam zijlen met knipperende lichten en woest getoeter, reden de chauffeurs op onze weghelft (inclusief de onze) hun auto’s achter elkaar van de weg de woestijn in zonder één woord van protest. Uiteraard ontbreekt bermbeveiliging en dat is dus maar goed ook.
De mate waarin men gewoon aanvaarde dat dat soms gebeurt, was verbazingwekkend. En ook in de stad lijkt het verkeer als een wilde bergrivier die ondanks de wildheid toch gewoon om de rotsblokken en binnen de oevers naar beneden komt. De gemoedsrust geeft een enorm contrast met de chaos. Ik vind dat prachtig, al wil dat niet zeggen dat ik er een voorstander ben van de anarchie die hier verkeer heet.

Thuis

Op de weg van Jaipur naar Jodhpur ligt een klein plaatsje genaamd Pushkar. Het is een bedevaartsplaats hier, vanwege het heilige meer dat er ligt, dat een van de vijf belangrijke bedevaartsplaatsen in het Hinduïsme is. Het is niet bekend wanneer de stad is gesticht, maar geschat wordt dat er al in de vierde eeuw voor Christus een nederzetting stond. Volgens de legende ontstond het heilige meer doordat Brahma er een kwade geest versloeg door hem aan te raken met een lotusbloem. Eén van de bladeren viel op de grond en op die plek onstond een meer. Nu is er rond dat meer een hele serie ghats (in Hindi betekent dat zowel bergrug als trap) ontstaan waar mensen hun gebeden zeggen om gezondheid en welzijn te vragen voor henzelf en hun familie, waarna ze een offer brengen en zich reinigen in het water. Omdat we nu eenmaal op weg waren van Jaipur naar Jodhpur hebben we een omweg gemaakt en zijn we naar het heilige meer gegaan. Pushkar is een prachtig en kleurrijk stadje en als je bij een ghat afdaalt naar het meer en aan de rand van het water staat, is het uitzicht over de de ghats, met honderden mensen die allemaal Puja doen, met de witte stad erachter, adembenemend. De stad en de oever van het meer stralen traditie en een diepe gelovigheid uit. Aan de oever werden we door een Brahmaan aangesproken en hij bood aan om ons te begeleiden. Diverse andere heilige mannen begonnen zich vervolgens ook met ons bezig te houden, waaruit maar weer blijkt dat ook hier marktwerking aanwezig is in religie en spiritualiteit. Ik kreeg het aanbod een Puja te doen voor het welzijn van mijn familie en besloot daarop in te gaan en de Puja uit te breiden tot iedereen. Opnieuw volgde een rondje onderhandelen. Hoeveel was dat welzijn waard en of ik dat dan in Rupees of (voorkeur van de heilige man) in Euro’s wilde betalen? Aangezien we nog Euro’s hadden en dat een sacrale korting opleverde heb ik in Euro’s betaald. Later begreep ik dat nagenoeg alle ghats in handen zijn van een tempel die met het verdiende geld natuurlijk de Brahmanen onderhoudt maar ook een enorm liefdadigheidsnetwerk runt in Pushkar en andere plaatsen in Rajastan. Aan de oever sloeg de stemming om nadat ik had afgerekend. De Brahmaan begon in diepe ernst aan een serie gebeden, ik kreeg een streep op mijn voorhoofd, mijn handen werden gewassen in het meer, ik werd besprenkeld met water uit het meer en tenslotte smeekten we samen om geluk en gezondheid voor alle levende wezens. Ik vroeg hem of ik er iets aan toe mocht voegen en sprak de So Sai Myo Kichyo Dharani uit. De Brahmaan luisterde verbaasd en lachend toe, schudde zij hoofd en boog samen met me in gasho. Daarna namen we afscheid. Die laatste buiging samen met de Brahmaan, aan de rand van het meer op de laagste trede van de ghat was bijzonder voor me. Het is me meer dan ooit duidelijk dat de boedhistische traditie waarin ik ben opgeleid en waarin ik leef en werk, hier begonnen is en diepe wortels heeft in dit land. En ik vermoed dat dit een groot aandeel heeft in mijn gevoel van thuiszijn hier.

Geluk!

Misschien is het niet toevallig dat de Shakyamuni Buddha uit Noord-India kwam en dat zijn Eerste Edele Waarheid was “Life is suffering”. Vanuit mijn eigen culturele bagage heb ik heel lang een diepe weerstand gehad tegen deze uitspraak. Het klinkt een beetje als “life sucks and then you die”. Als kind moest ik de katholieke catechismus uit mijn hoofd leren en de eerste vraag en het antwoord daarop waren al depresief makend: “Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde op god te dienen en daardoor in de hemel te komen”. De toelichting daarbij was dat we alleen in de hemel gelukkig konden zijn, dus dat was dat. Pas veel veel later begreep ik dat de school waarop ik zat de oude versie van de catechismus was blijven gebruiken van voor de oorlog. De nieuwere versie bleek veel minder fataal want daarin kon ook op aarde gelukkig zijn. Geluk was voorwaardelijk gemaakt en moest verdiend worden, zo werd me door de leraar ingepeperd. Dat geluk onze natuurlijke staat van zijn zou kunnen wezen was verloren geraakt. Vanuit die persoonlijke achtergrond was “life is suffering” maar moeilijk verteerbaar voor me.

Hier in India is er niets verborgens aan suffering. Suffering is loud and clear and in your face. Dat toont me heel duidelijk hoe onvoorstelbaar bevoorrecht ik ben, simpelweg doordat mijn wieg in Nederland stond. Uit dat blote feit vloeien zoveel kansen en mogelijheden en luxe en bevoorrechting voort, dat het bijna onvoorstelbaar is. Dat wist ik al lang en breed vóór ik hier kwam maar het is iets anders om dagelijks als volkomen gemeenplaats, geconfronteerd te worden met een niveau van armoede en een contrast tussen arm en rijk die in Nederland ondenkbaar zouden zijn. Onrecht, extreme armoede en lijden zijn hier de dagelijkse realiteit, de dagelijkse normaliteit. En juist die normaliteit is riskant. Ook in Nederland wordt geleden. In hoeverre hebben we het lijden om ons heen, onze versie van lijden en tweedeling en onrecht “genormaliseerd”? En die normalisatie, in hoeverre maakt het ons blind voor het lijden dat recht voor onze neus plaats vind? Ik vind het een beetje shockerend dat die gedachte zo sterk op komt hier in India. Want deze realiteit kan je gewoon in Den Haag ervaren.

“Life is suffering” is onontkoombaar waar. Het is niet zo dat er alleen maar suffering is. Maar er zijn momenten en periodes van diep verdriet, ontbering, gebrek, eenzaamheid, ziekte, ouderdom, dood en verlies en die horen onverbrekelijk bij leven. Dus hoe ga ik daarmee om? Eén element daarin is de vraag hoeveel IK er in MIJN lijden zit. En hoeveel weerstand dat IK heeft tegen lijden. En hoe wanhopig ik vast houd aan de soliditeit van MIJ. Lijden wordt duizendmaal vergroot als de focus is gericht op arme ik en het lijden van arme ik. Natuurlijk zijn er in mijn leven diepe periodes van eenzaamheid, verdriet en stress en woede en machteloosheid geweest. Maar zodra mijn aandacht zich opent, zich breder maakt en het brandpunt niet meer IK en MIJN lijden is, ontstaat er ruimte. Innerlijke ruimte, waarin mijn drama opeens niet meer zo’n drama is. En van nature ontstaat in die ruimte de vraag: “Hoe gaat het met jou?” En die vraagt opent mijn hart naar compassie. Een transformatie in alle opzichten. Het enige waarvan ik wéét dat het leidt naar gelukkiger zijn, is het geluk van anderen.
Ik ben hier regelmatig teruggevallen op een passage uit de Mahabharata, een van de oudste geschriften ter wereld en een van de belangrijkste teksten van het hinduïsme (de Baghavad Gita is er een onderdeel van). “Wat is uiteindelijk onontkoombaar voor ieder van ons? Geluk!”

Tegenstellingen

Een paar dagen geleden ben ik met Roshi naar Coimbatore geweest om de hoofdvestiging van dit ayurvedische centrum te bezichtigen. Het is veel ouder dan waar wij zitten en meer een hospitaal dan een centrum. Het ligt in de stad (wij zitten buiten Coimbatore op het platte land) midden in een woonwijk en bestaat uit een wirwar van straatjes en paviljoens. Het is hier gebruikelijk dat als je wordt opgenomen, een of meerdere familieleden mee opgenomen worden ter ondersteuning en om te helpen in de verzorging. De tempel is een integraal onderdeel van het hospitaal en medische systematiek en religie gaan hier hand in hand. In Nederland is die band verdwenen (en dat is misschien maar goed) maar hier is er kennelijk weinig tegenstrijdigs aan moderne medische handelingen (ze gebruiken hier gewoon moderne röntgenapparatuur, ct-scans en mri’s) ayurveda en hinduïsme. Van veel kanten is me voor deze reis verteld dat India een land van extremen is en dat is zeker waar. Maar de meeste mensen lijken hier weinig moeite te hebben om met en in die uitersten te leven. De capaciteit om tegenstellingen te overbruggen is hier groot, ook al weet ik dat sommige tegenstellingen ook hier zo nu en dan tot grof en massaal geweld leiden. Ik voel in veel mensen hier een soort van innerlijke ruimheid en flexibiliteit waarmee ze omgaan met hun omstandigheden en waarvan ik leren kan.

Virgin time

Na een week in het ayurvedisch centrum daalt er een sereniteit in me neer. Er hangt vandaag een blauwe waas over het landschap. De tempel en de palmbomen op de directe achtergrond zijn warm van kleur. Rode dakpannen, gele muren, en de palmbladeren hebben een onbeschrijfbaar kleurverloop van donker- naar lichtgroen en geel. Daarachter valt een soort gat van wazigheid, waarin alleen heel vage contouren zichtbaar zijn van eindeloos veel meer palmbomen. Dat gaat over in een ruimte van alleen blauwe waas en daaruit rijzen in de verre verten majestueus de bergen van de Western Ghats op, die tegelijkertijd onbewegelijk zijn en een beetje trillen in de warmte.
Dit is de eerste keer in lange tijd dat ik mezelf volledig in de “uit-stand” heb staan. Er is niets te doen en het advies is ook om echt niets te doen. Nergens naar toe, niemand te spreken, niets af te handelen, geen verplichtingen, geen leuke dingen doen, niet iets bijzonders gaan zien, enzovoorts. Niets moet, wat niet betekent dat niets mag. Het voelt nu sterk als sesshin, maar er is zelfs geen sesshin-tijdschema om aan te houden. Het is als de grote schoolvakantie toen ik nog een kind was en ik me wel eens een dag gewoon kon vervelen en de tijd een soort van oneindigheid omvatte. Verveling is volgens mij de weerstand van ons brein tegen niets doen. In niets doen zitten weinig tot geen mogelijkheden om ons zelf te bevestigen en te verzekeren van een eigen separaat bestaan. Zitten als een rotsblok en mezelf de staat van zijn voorstellen van een rotsblok. Eeuwen gaan voorbij en het rotsblok hoeft niets te doen, gaat nergens naar toe, hoeft niemand te spreken en niets af te handelen, heeft geen verplichtingen, gaat geen leuke dingen doen, hoeft niet iets bijzonders gaan zien, en vraagt zich niet af wat de andere rotsblokken denken en doen. Het blok IS. Chōgyam Trungpa noemt het “virgin time”, maagdelijke tijd, als een onbeschreven blad, waar nog niets op geschreven staat en waarop alles in potentie mogelijk is. In die staat van zijn valt iedere poging om Mezelf te zijn weg, en is er geen enkele noodzaak om een mening of oordeel te vormen. Dat betekent niet dat ik onbewegelijk wordt. Ik ben een mens en kan nog steeds handelen en werken met wat het moment/de situatie presenteert. Er is alleen geen drang meer om iets voor mezelf te bereiken of te bewijzen. Het is een heel open staat van zijn waarin alles mogelijk is en alles onversluierd binnen kan komen.

Wat een land!

Op mijn dagelijkse middagwandeling kwam ik gisteren langs een boerderij waar een grote groep mensen zat te eten en ik werd onmiddellijk uitgenodigd om mee te eten. Ik werd eigenlijk min of meer het erf op gesleurd. Aangezien ik in een reinigingskuur zit die ik niet te veel wil verstoren probeerde ik het meeste af te weren, maar dat kan natuurlijk niet met alles. Het aanvaarden van het onvermijdbare was overigens niet al te moeilijk. Het smaakte prima. De eigenaar van de boerderij, die zelf niet boerde, was er om met zijn jongere broers en zussen en met de boer (pachter) en diens familie, het festival van Pongal te vieren. Het is een soort oogstfeest waarbij de koeien vertroeteld worden, dank wordt gebracht aan de zon voor de oogst en waarin de familieband tussen broers en zussen wordt versterkt. Het geheel duurt vier dagen hier en het is volgens de eigenaar van de boerderij het belangrijkste feest in Tamil Nadu. Hij woont in Coimbatore en had zijn beide jongere broers en zijn twee zussen meegenomen. De middelste broer is eigenaar van een coachingsinsituut in Coimbatore waar ze middelbare scholieren klaar stomen voor de toelatingsexamens voor de universteit. Dat is een serieuze zaak hier want de examens zijn streng en de concurrentie groot. Overal zie je hier reclame voor opleidingen en universiteiten. Ze zetten hier alles in op “education” vertelde de middelste broer en dat is buitengewoon wijs. De jongste broer is ambtenaar en toen hij hoorde dat ik uit Nederland kwam flitste er zo maar “Goede morgen, hoe gaat het met u” uit zijn mond. Bizar. Het was bijna een shock. Zit ik echt “in the middle of nowhere” op het Indiase platteland, zit er iemand Nederlands tegen me te praten! Dit was trouwens ook meteen vrijwel al het Nederlands dat hij sprak. Hij had twee jaar in Suriname op de Indiase ambassade gewerkt en had daar een paar woorden opgepikt. Het was een raar gevoel. De eigenaar en zijn broers hadden naar mijn gevoel meer met mij gemeen dan dat ze gemeen hadden met de boer en zijn gezin die samen met de zussen volkomen op de achtergrond bleven. Toen ik afscheid nam gaf ik iedereen een hand, behalve de boer. Hij bleef bij het huis staan, raakte met zijn hand zijn hartstreek aan en bewoog die hand vervolgens met open palm in mijn richting. Het was zo’n ontroerend warm en open gebaar dat ik tranen in mijn ogen kreeg. Ik heb in gassho een buiging gemaakt naar hem. Wat een land!

Niet weten

Rahul is mijn vaste masseur hier. Hij is 28 en gaat binnenkort trouwen. Zijn aanstaande heeft hij hier in het centrum ontmoet. Ook zij werkt hier als masseuse. Hoewel zijn Engels beperkt is (en in Hindi kan ik alleen hallo en dankuwel zeggen) zijn we inmiddels verbazingwekkend veel over elkaar te weten gekomen in vier dagen.
Zo weet ik nu dat het hier voor jonge mannen en vrouwen uit de zogenaamde de betere standen nog normaal is dat de ouders de huwelijkspartner uitzoeken, maar dat voor hem een zijn aanstaande dat allemaal veel makkelijker is. Zijn familie woont ver weg en zijn aanstaande heeft nauwelijks familie. Ze zijn niet gebonden aan grond en erfenissen en sociale status (een masseur verdient hier niet veel) en dat geeft veel minder druk. Maar voor boeren met grond of mensen met status ligt dat veel gevoeliger en hangt meer af van de partnerkeuze.
Een gearrangeerd huwelijk is in deze samenleving, waarin familie alles is en je veiligheid en vangnet volledig van je familiebanden afhankelijk zijn, minder raar en ouderwets dan ik dacht. De vrouwelijke arts die ons begeleid gaat ook binnenkort trouwen. Ze is 26 en haar ouders zijn al een tijdje opzoek naar geschikte kandidaten. Ze heeft de vrijheid om nee te zeggen tegen een kandidaat, maar dat haar ouders de kandidaten selecteren vind ze eigenlijk geen probleem. Mijn eerste reactie was verbazing en een soort innerlijke weerstand. Dat kan toch niet een goede weg zijn voor een relatie die gefundeerd is op liefde. Maar als bij ons zo ongeveer de helft van de huwelijken binnen tien jaar weer in scheiding eindigt, wie kan dan beweren dat ons systeem beter is?
Telkens weer wordt ik hier geconfronteerd met de automatismen in mijn denken en mijn overtuigingen. Misschien wel juist omdat de contrasten hier zo groot zijn t.o.v. mijn “comfort zone” en alles hier zo anders is vallen mijn overtuigingen en verborgen oordelen zo op. Ik weet zo weinig en ik “vind” zoveel.

Niet begrijpen

Het Ayurvedisch centrum waar we nu zitten is weer een heel nieuwe wereld. Een soort van kuuroord, maar dan anders dan alles wat je je kunt voorstellen bij dat woord. Het gebouw is nog geen tien jaar oud maar ziet er van buiten vervallen uit. Van binnen eigenlijk ook wel, maar de staat van ogenschijnlijk verval staat los van de deskundigheid en de toewijding van het personeel. Het ziet er primitief uit, maar onder de uiterlijkheden kan ik voelen dat wat ze hier doen geworteld is in een eeuwenoude traditie en een grote professionaliteit. Het voelt ook aan alsof ik op sesshin ben, en dat is niet alleen omdat we hier ’s ochtends mediteren met Roshi en Renata. Het geheel voelt aan als een klooster. In de hele vroege ochtend worden we gewekt door de gebeden en chants in de Hindu tempel op het terrein. Dat gaat een uurtje door en daarna worden we weer gewekt door de man die de ochtend drank en gekookt water komt brengen. Het centrum blijf dan nog een tijdje heel stil en dan komt er gelijdelijk wat leven. Na het ontbijt volgt iedere ochtend een uur massage. De masseur begint zijn werk met een intens (maar onverstaanbaar) gebed. Er zit niets routineus in. Het Hinduisme is diep en oprecht. Ayurveda is niet alleen maar een methodiek hier, het is een manier van leven en diep geworteld in religie en ritueel. De toewijding is totaal en ik voel dat ik me er vol vertrouwen aan over kan geven.
Het landschap is overweldigend. Diep groen wijds en de kleur van de aarde is een rijk donkerrood. Vanmiddag heb ik voor de zonsondergang, die hier scherp en abrupt is, een lange wandeling gemaakt. Een landweggetje tussen oude oude kokospalmenaanplant en hele kleine boerderijtjes. Hoewel het er allemaal heel basaal en zelfs primitief uitziet is me duidelijk dat dit rijke grond is en dat de boeren relatief welvarend zijn. Ik zag een man en een vrouw achter elkaar over een dijkje lopen langs een stuk land met kokospalmen. Het was er donker onder de bomen en koeler. We lachten naar elkaar en knikten, ik op en neer en zij heen en weer. Het voelde aan als eeuwen oud en dat was het ook. Ik voel me hier eeuwen oud en diep verbonden en geworteld en ik begrijp er niets van.

Coimbatore

We zijn in Coimbatore neergestreken en het verschil in landschap is verbazingwekkend. Van de woestijn naar de groene heuvels. De vlucht maakte een tussenstop in Mumbai en voor de transit passagiers naar Coimbatore was de stop een goede gelegenheid om een praatje aan te knopen en de benen te strekken. Heen en weer in het vliegtuigmiddenpad en iedere keer als we elkaar passerden een glimlach of een grapje.
Wat ook verbazingwekkend is, is dat dit kan. We vlogen in vier uur (tussenstop meegerekend) van Noord- naar Zuid-India. Een afstand van 2000 km in een paar uur. Ik voel me zo bevoorrecht, ook als ik kijk naar hoe ik over de wereldbol reis, hoe ik leef, en hoe mensen hier op straat leven. En tegelijkertijd kijken we elkaar recht in de ogen van mens tot mens en dan is er geen enkele afstand en geen enkel verschil.

Er is zoveel diepe armoede hier, en ik merk dat er soms iets arrogants zit in de manier waarop ik daar naar kijk. Dan heb ik een verborgen oordeel over deze samenleving. Misschien is de verontwaardiging over wat ik zie als onrecht terecht, maar ik heb ook het gevoel dat die verontwaardiging vaak voortkomt uit onwetendheid en blindheid. Er wordt op straat namelijk ook veel gelachen, liefgehad, gekletst, plezier gemaakt, en gezwaaid naar voorbijlopende toeristen. Dit is hun leven. Dit is leven. Er wordt gebedeld zonder gène en gegeven zonder gène. Er is verschil en er is volkomen gelijkwaardigheid. Alleen zo kunnen we elkaar werkelijk zien in volle wederzijdse waardering en warmte.

In de auto op weg naar de luchthaven van Delhi herinnerde ik me een tekst van Thich Nhat Hanh (een citaat uit een soetra). “Boeddha bestaat volledig uit non-boeddha-elementen”. Michel bestaat volledig uit non-Michel-elementen. Armoede bestaat uit non-armoede-elementen. Het is een prachtige manier om de volledige zelfloze wederzijdse samenhang en afhankelijkheid tot uitdrukking te brengen zonder ons unieke bestaan uit het oog te verliezen. We zijn alomvattend, we zijn elkaar en we zijn onszelf. Lijden bestaat volledig uit elementen van niet-lijden. Zonlicht, stof, lucht, hitte en kou, vliegen, kamelen, bloemen en vlinders, oude tijden, Maharadjas, kleuren en duisternis, vaders en moeders en bananen. Niets van dat alles is lijden. En soms komen al die elementen samen op een bepaalde manier en dan zijn er zware omstandigheden en lijden. Niets bijzonders, niets dramatisch. In iedere situatie, ieder wezen, ieder verhaal, is alles aanwezig. In armoede en lijden is alles aanwezig. Zo is er armoede maar geen armoedementaliteit. Zo kan ik zien en zonder oordeel volledig deelgenoot zijn, zonder afstand en tegelijk met complete openheid om te handelen en niet te handelen al naar gelang de situatie van dit exacte ogenblik.

India!

Voor de eerste keer zit ik achter mijn tablet en voel dat het tijd is om wat van mijn eerste indrukken op te schrijven. We zijn nu tien dagen in India en mijn ogen zitten nog vol met indrukken die nog niet zijn verwerkt. Mijn hart is een beetje rauw. India, of in iedergeval Rajastan, is een rauw land. Leven en dood spelen zich recht onder mijn blikken af. Er is geen enkele gène in de zichtbaarheid van lijden, vreugde, boosheid, verbazing, kortom alle emotie en alle staten van zijn. En tegelijkertijd is er wel degelijk preutsheid, worden openbare uitingen van genegenheid tussen man en vrouw afgekeurd, dragen getrouwde vrouwen sokken in hun slippers en ga zo maar door. En niemand lijkt zich druk te maken over deze voor ons zo verwarrende tegenstellingen.
Leven gebeurt hier op straat en zonder veel omhaal. Leven gebeurd hier ook dramatisch dicht bij de rand van het bestaan voor verreweg de meesten en ook dat gebeurd zo te zien zonder veel drama te maken van de dramatiek. Het is net als de koeien hier. Die scharrerlen dwars door alles heen. In Jaisalmer lopen ze in een rijtje door de straten terwijl de tuktuks, motoren, scooters, fietsers en wandelaars als een orkaan om hen heen draaien, zonder dat die koeien zelfs maar opkijken. Volkomen gelijkmoedigheid.
En tegelijkertijd weet ik dat de emoties hier soms heel hoog op kunnen laaien met moord en doodslag als gevolg. Weer zo’n tegenstellingen die niemand hier vreemd vindt.
Ik voel me hier ongelooflijk thuis. Het is bijna alsof ik hier lange tijd gewoond heb en nu terugkeer. Onwennig, maar wel bekend. Ik voel me ook heel veilig. De dagmarkt in Jodhpur is zo’n plek waar ik makkelijk een dag rond kan dwalen. Omdat er nauwelijks toeristen rond lopen let niemand speciaal op me. Je kan er gewoon een kilo bananen kopen zonder meteen een “special price” om je oren te krijgen. In Jaisalmer is dat héél anders. Daar riep een marktkoopman heel eerlijk en met gevoel voor humor, “let me help you spend your money”! Maar ook daar is er een openheid en een bereidheid tot contact die hartverwarmend is. Er zit een soort van warmte hier in de manier waarop we naar elkaar kijken en proberen te converseren ook al spreken we nauwelijks tien woorden die we wederzijds verstaan. De glimlach zegt meer. Ik kocht een prachtige grote pashmina shawl in Jaisalmer (tering, wat kan het daar koud zijn s’avonds) en de langdurige onderhandelingen tussen mij en de handelaar hebben we afgemaakt op 2100 rupee en een knuffel. Hij noemde mij boss en ik hem chief. Daarna hebben we gelachen en vastgesteld dat we slechts boss en chief waren, en dat onze partners uiteindelijk de Maharani’s zijn.

Eén van de redenen waarom ik me hier zo thuis voel is dat ik hier niet alleen als buitenstaander welkom ben, en dus niet alleen vanwege de handel of de fooi, maar mezelf onderdeel voel van een gemeenschap. Dat gevoel van gemeenschap hier is sterk. Niemand kan hier overleven zonder de gemeenschap. Daar zullen vast ook minder leuke kanten aan zitten, maar ik voel en zie een grote samenhorigheid in de manier waarop mensen bij elkaar komen. Onze treinwagon in de Superfast Express Train van Jodhpur naar Jaipur was een goed voorbeeld. Dat Superfast betekende dat we vijfeneenhalf uur deden over 325 km. In die tijd speelden we met de dochtertjes van een echtpaar verderop in de wagon, kregen we een gedurige stroom thee- en koffieventers langs, werd voor alle betrokkenen duidelijk dat de wagonchef een etterbak was, en luisterde ik naar het verhaal van een man die met het vierjarige dochtertje van zijn broer op weg was van Jodhpur naar Delhi om haar naar haar ouders te brengen voor een paar dagen. Daarna zou hij haar weer mee terug nemen naar Jodhpur (het kind woont bij hem en zijn vrouw) terwijl de ouders voor hun werk in Delhi blijven. We spraken over wat het bekent voor de familie om zo verspreid te wonen en hoe belangrijk familie is. De hele wagon werd min of meer familie voor de duur van de rit. Natuurlijk zaten er ook mensen die alleen oog hadden voor hun mobieltje, maar het gevoel van familie en de familiariteit en wederzijdse behulpzaamheid is sterk hier.

Ook de kleuren lijken hier contrastvoller. De vrouwen vooral, kleden zich in de meest dramatisch kleuren. Ze dragen knalpaarse, goudkleurige, woest oranje hempdjes en gedurfde sari’s, gebloemde shawls de een nog mooier dan de andere. Een stuk of twintig gekleurde armbanden aan beide armen en een amberkleurige vlek op het voorhoofd. Zo loopt de gemiddelde bedelares hier rond. En er zit een grote waardigheid in de manier waarop zo lopen. Armoede is hier geen uitzondering en er is dus ook geen enkele schaamte. Zij zijn arm en ik heb geld dus er is niets mis mee om aan mijn arm te plukken en een hand voor mijn neus te wapperen.

Bovendien is er een grote bereidheid tot behulpzaamheid. Als onze taxi chauffeur de weg kwijt raakt, wat regelmatig gebeurd want een tomtom zou hier geen enkele zin hebben, dan vraagt hij de weg aan iedere willekeurige voorbijganger die weer andere voorbijgangers te hulp roept tot er zes mensen tegelijkertijd de weg proberen te duiden. Heel gewoon hier. In ons hotel in Jodhpur vroegen we of ze een travel agent wisten omdat we nog een terugrit moeten regelen van Jaisalmer naar Jaipur. Twee uur later had de hotel manager alles piekfijn geregeld met tickets voor trein en vliegtuig en een taxi naar de luchthaven. Van een fooi wilde hij niets weten.
Ik mis jullie allen en tegelijkertijd ben ik thuis.